Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Deze bevat alle artikels en full text scripties van deelnemende bachelors en masters aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Hoe beïnvloedt de kostprijs het vrijwillig engagement van jongeren die leiding zijn bij de Chiro? Een onderzoek bij Chirogroepen in het Gewest Zizo

Charlotte Pierreux
Chiro is de grootste jeugdbeweging uit Vlaanderen. De leiding die elke week klaar staat om de jongeren te begeleiden doet dit volledig vrijwillig. Echter blijkt uit de realiteit dat de leiding geconfronteerd wordt met extra kosten. Dit onderzoek wil bekijken wat de invloed is van deze kosten op het engagement van de leiding, door middel van zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek aan de hand van een online enquête, gevolgd door twee focusgesprekken. Om af te sluiten vond er een gesprek plaats met een expert van Chirojeugd Vlaanderen. Het onderzoek focust zich op de zeventien Chirogroepen binnen het Gewest Zizo, een verzameling van Chirogroepen uit Vlaams-Brabant.
De eerste onderzoeksvraag bekijkt wat de kostprijs is voor leiding, daarna wordt de invloed van deze prijs op het engagement bevraagd. Om af te sluiten wordt de mening van de leiding tegenover een mogelijke financiële vergoeding gevraagd.
Uit de resultaten blijkt dat de kostprijs van groep tot groep verschilt, met een variatie van 40 tot 400 euro. Deze kosten worden meestal betaald door de leiding zelf of hun ouders. De Chirogroepen mogen autonoom hun kostprijs bepalen, al hoopt Chirojeugd Vlaanderen dat deze prijzen toegankelijk blijven voor iedereen.
Als we kijken naar het toekennen van een vergoeding zijn de meningen verdeeld. Uit de survey blijkt dat 20 procent te vinden is voor een financiële beloning, 55 procent is geen voorstander. De overige 25 procent twijfelt aangezien een vergoeding ingaat tegen het vrijwillig engagement van Chiroleiding. Uit de focusgesprekken blijkt dat leiding liever een materiële beloning heeft dan een financiële, zoals een bedankingsdag of extra hulp vanuit de gemeente.
Na dit onderzoek kunnen we concluderen dat de kostprijs weldegelijk een invloed heeft op het engagement. Indien het bedrag te hoog zou oplopen, zal een deel van de jonge vrijwilligers afhaken en niet meer deelnemen aan de niet-verplichte activiteiten.

Alternatieve woonvormen voor niet-begeleide jongvolwassen vluchtelingen in Gent

Joke Sonjeau
This study is an initial attempt to investigate how alternative housing can contribute to a better integration of Unaccompanied Young Adult Refugees (UYAR) in Ghent. It recognizes the vulnerability of the target group and tries to meet their social, cultural and practical needs. Respondents, both stakeholders and UYAR, took part in qualitative research by participation in in-depth interviews and focus discussion. The results show that UYAR suffer from socio-cultural isolation and experience difficulty establishing an inter-ethnic network. Furthermore, they experience obstacles in their search for a house. Discrimination, high rental prices and difficulties with domicile are some of the most common problems. This study claims that alternative housing such as cohousing between UYAR and native-born Belgian student s would both solve the housing problems and the social segregation of UYAR. It will stimulate positive integration by ‘social learning’ and benefits the native students as well in finding proper housing and experience a multicultural way of living. The results suggest that a similar model would be beneficial for all stakeholders, but hard to reach because of legal and budgetary restrictions. Therefore, profound research should be set up to investigate the possibilities to adapt the legal frame. Also, a detailed financial plan is required to discover the feasibility and to adapt the plan if necessary. These recommendations are reserved for experts.

Motivatie-onderzoek van de Vlaamse e-fietser omtrent het gebruik of de aankoop van de elektrische fiets

Geneviève Vandamme
In deze masterproef wordt de focus gelegd op de redenen waarom Vlaamse e-fietsers een elektrische fiets gebruiken of gekocht hebben.

Getolkte gesprekken met minderjarigen in strafrechtelijke context in Italië. Een vergelijkende studie van de belangrijkste uitdagingen voor tolken en de aanbevelingen en wensen voor de toekomst.

Laura Vermeylen
Wat zijn volgens tolken de belangrijkste uitdagingen tijdens getolkte verhoren van minderjarigen en hoe kan daar in de toekomst op ingespeeld worden? Het CO-Minor-IN/QUEST-project verspreidde een enquête in verschillende Europese landen. De data van die enquête bieden een antwoord op de onderzoeksvraag en zo kunnen er aanbevelingen geformuleerd worden.

Onderzoek naar de invloed van leeftijd, opleidingsniveau en dieetgeschiedenis op de kennis van verpleegkundigen omtrent verscheidene topics rond voeding

Ines Verhaeghe Ellen Vandamme Jan Baudonck
Deze scriptie is een weergave van de kennis over voeding en voedinsgewoonten bij verpleegkundigen in de Vlaamse zorgsetting. Onderzoek de kennis bij Vlaamse verpleegkundigen is nodig door de steeds groter wordende rol van voeding in de zorgsector.

Artikel 60 binnen OCMW Aalst, een goedlopende trein of een bij te sleutelen parcours?!

Karolien Devos
In dit onderzoek werd artikel 60 op mesoniveau, binnen het OCMW van Aalst, onderzocht. Dit met als doel een zo duidelijk mogelijk beeld te krijgen over hoe deze tewerkstelling loopt en waar er eventueel marge is voor verbetering.

Mijn onderzoeksopzet bestond enerzijds uit een interview met de beleidsmensen, met de ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor deze sociale tewerkstelling. Anderzijds uit een focusgesprek met ervaringsdeskundigen, met mensen die of een sociale tewerkstelling positief hebben beëindigd of nog steeds aan het werk zijn als artikel 60.

Aan de hand van mijn ervaring en mijn onderzoeksopzet heb ik mijn veranderingsdoelen opgemaakt. Gezien de ervaringsdeskundigen artikel 60 als een positieve ervaring beschouwden denk ik dat men eerst en vooral moet proberen meer tewerkstelling plaatsen te creëren. Meer plaatsen geeft ook meer kansen dus meer kwetsbare mensen die men zo kan helpen naar werkervaring of zelfs naar een doorstroom naar de reguliere arbeidsmarkt. Hiervoor zal de begeleiding anders moeten worden aangepakt en zal ook de bijhorende subsidiëring moeten herbekeken worden. Zowel op mesoniveau binnen het OCMW te Aalst als op macroniveau en dus op Vlaams, gezien dit recent is overgeheveld van Federaal naar Vlaams.

Een tweede veranderingsdoel, wat ik zou willen gerealiseerd zien, is het verbeteren van de sfeer op de werkvloer ten opzichte van de mensen in artikel 60. Het welbevinden op het werk draagt volgens mij ook bij naar enerzijds je goed voelen in je vel maar anderzijds ook het goed presteren op het werk zelf. Voor mensen in sociale tewerkstelling denk ik dat de motivatie om op zoek te gaan naar een job na artikel 60 groter zal zijn als men een positieve ervaring heeft mogen ervaren.

Ook na begeleiding moet volgens mij beter. In het focusgesprek gaf elke deelnemer aan dat men in het spreekwoordelijke zwarte gat valt na artikel 60. Ook hier zouden we door in te zetten op betere, intensievere begeleiding, de doorstroom naar de reguliere markt kunnen bevorderen.

Ik ben dit eerst en vooral juridisch gaan bekijken, wetgeving versus toepassingen die men hanteert in het OCMW te Aalst. Daaruit bleek onder andere dat een flexibel werktraject, bijvoorbeeld deeltijds werken, wettelijk wel kan. Iets wat mogelijk zou moeten zijn voor iedereen in deze hectische maatschappij, zeker voor kwetsbare mensen die geen (groot) sociaal opvangnet hebben. Ook het loon voor de artikels 60 bepaalt men zelf als OCMW. Naar privé werkgevers toe factureert men 740 euro, openbare instanties die mensen tewerk stelt in artikel 60 betalen niets. Ook het feit dat men enkel leefloon gerechtigden in artikel 60 toelaat, is specifiek voor Aalst en zou dus ook anders kunnen. Er is dus een duidelijk verschil tussen wat er wetmatig mag en wat er in Aalst wordt toegepast. De reden hiervoor ligt meestal bij de subsidiëring die men hiervoor krijgt.

In een tweede invalshoek heb ik de psychosociale bril opgezet. Daar bleek, door de analyse van verschillende theorieën met betrekking tot het welbevinden en het hebben van een job, dat er wel effectief gevolgen kunnen zijn door het al dan niet hebben van een job. Zeker naar kwetsbare mensen toe moeten we hiermee rekening houden, zij hebben misschien bepaalde werkattitudes niet meegekregen van thuis. Doordat ze niet aan het werk zijn, worden ze uitgesloten uit de maatschappij. Men verliest zijn status en heeft niet het gevoel ergens bij te horen, ergens deel vanuit te maken. Aan het werk zijn zal hen dus empoweren, zal hun psychosociaal welzijn erop verbeteren.

Een laatste invalshoek is de hulpverlening. Doordat onze maatschappij volop in transitie is, dient de hulpverlening herbekeken te worden. Sleutelwoord bij hulpverlening is empoweren. Niet enkel doen wat wetmatig moet maar mensen helpen hun doelen te laten stellen en deze te verwezenlijken. De houding van de hulpverlener moet op voet van gelijkwaardigheid zijn en met een onvoorwaardelijke positieve houding ten opzichte van de cliënt met als doel zijn eigenwaarde te versterken.

Ik breng aan de hand van mijn onderzoeksopzet en theoretische staving vijf veranderingsstrategieën naar voor. Eerst en vooral moet artikel 60 voor iedereen kunnen en niet enkel voor mensen met een leefloon. Zo sluiten we mensen uit die ook zouden geholpen zijn door op deze manier aan het werk te kunnen. Ik denk bijvoorbeeld van een vrouw op leeftijd die van haar man is gescheiden en jaren voor de kinderen heeft gezorgd. Iemand van een iets oudere leeftijd, met een ‘black hole’ in haar CV van enkele jaren, zal niet makkelijk werk vinden.

Een tweede veranderingsstrategie is de mogelijkheid naar een flexibeler traject. Zeker nu we langer zullen moeten werken, is dit geen overbodige luxe. Zoals we ook in Finland zien, werkt zo’n systeem. Meer en meer mensen nemen ook hier ouderschapsverlof, tijdskrediet of loopbaanonderbreking om voor hun gezin of voor zichzelf te kunnen zorgen. Ook en zelfs vooral kwetsbare mensen die weinig of geen ervaring hebben en vaak niet beschikken over een sociaal opvangnet, zouden dit dus zeker moeten kunnen doen. Meer mensen zullen slagen in hun te presteren dagen in de opgegeven referteperiode en mensen gaan ook meer gemotiveerd zijn aan het werk te blijven in deze drukke geluksmaatschpapij.

Een derde strategie is de begeleiding van de mensen op de werkvloer die met mensen in artikel 60 moeten werken. Het stigmatiseren van deze groep tegen gaan door preventief de mensen op de werkvloer zelf grondig te informeren en hen te duiden wat de intentie is. Zo kunnen we taboes en vooroordelen wegwerken en eventuele pesterijen voorkomen. Een ‘workbuddy’, een gezinswetenschapper die niet alleen de mensen in sociale tewerkstelling maar ook de collega’s hierin begeleidt.

Een vierde strategie is het herbekijken van de kosten die men factureert aan privé firma’s. Zij krijgen een factuur van 740 euro per maand voor een werknemer, openbare instanties en vzw’s niet. Men hanteert dit omdat dit de kost is die het OCMW zelf zou moeten bijleggen, die men dus niet krijgt via subsidieringen. Op macroniveau zouden we dus moeten inzetten in het herbekijken van deze subsidieringen om deze gelijk te stellen. Maar ook OCMW Aalst zou zelf de beslissing kunnen nemen dit niet als grondvoorwaarde te hanteren. Zo creëren we meer tewerkstellingsplaatsen en vergroten we ook de doorstroom.

Een laatste voorstel naar verandering is de betere (na)begeleiding. Mensen in de laatste weken goed toeleiden naar het einde van hun tewerkstelling en al klaarstomen naar solliciteren op de reguliere arbeidsmarkt. Ook een betere samenwerking met onder andere VDAB is opportuun zijn. Ook hier is een rol weggelegd die perfect zou zijn voor een gezinswetenschapper.

Referentielijst:

Adriaens, C. L. (2013). Praktisch handboek voor OCMW-recht. 612 Loopbaan met zorg. (2015). Betekenis van werk. Betekenis van werk.

Tine Van Regenmortel, K. H. (2013. Het concept ‘empowerende academische werkplaats’. Een innovatieve vorm van samenwerken aan werkzame kennis. Tijdschrift voor Welzijnswerk, 36-48 Van Regenmortel, S. (2015, april). Sociaal werk moet anders in de nieuwe samenleving. Entry-media

Vlieger, S. D. (2008, Juni). Schuld en schaamte: een vergelijkende studie tussen werkenden en werklozen. Gent: Universiteit Gent.

Vries, S. D. (2010). Basismethodiek psychosociale hulpverlening. In S. D. Vries, Basismethodiek psychosociale hulpverlening (p. 425). Hoten, Nederland: Bohn Stafleu van Loghum.

De stimulus van persoonlijke videoscreening op doubleloop leren bij starters en lio's op hun werkplek

Philip Lambrechts
 BEGINNENDE LEERKRACHTEN GAAN CONFRONTATIE MET ZICHZELF AAN“Een videoscreening drukt je onverbloemd met de neus op de feiten. Kijk, zo sta je daar écht vooraan. Iedere beginner zou zichzelf eigenlijk moeten bezig zien. Nu let ik tijdens mijn lessen vooral op mijn bewegingen en hoe leerlingen daarop reageren.” (leerkracht in opleiding)Het beroepsprofiel van de leraar schrijft vanaf 2008 voor dat hij[1] zichzelf op de werkvloer kritisch moet beoordelen. Indien het om een startende leraar of leraar in opleiding gaat, wordt hij hiervoor doorgaans bijgestaan door een jobcoach, een mentor.

Nieuwe tonen op de ladder? Een studie naar een meer prominente plaats voor muziek in het Vlaamse basisonderwijs

Ruuth Oosterlijnck Eveline Simpelaere
 
Eveline Simpelaere & Ruuth Oosterlijnck
 
Nieuwe tonen op de ladder?
Een studie naar een meer prominente plaats voor muziek in het Vlaamse basisonderwijs
 
Sinds enkele jaren kunnen we in Vlaanderen niet langer omheen de groeiende belangstelling voor kunst en cultuur in het onderwijs. Niet alleen op beleidsniveau werden reeds tal van charmeoffensieven gelanceerd om de kunsten meer prominent aan bod te laten komen, ook binnen de academische wereld werd dit actuele onderwerp vanuit diverse invalshoeken belicht.