De invloed van de vrijmetselarij op het maatschappelijk bestel. Een Belgische Case-Study: de Gemengde Obediëntie “Le droit Humain” en de emancipatiestrijd van de vrouw in de jaren 1960-1970

Eline Severs
 
Vrijmetselarij en samenleving: De Gemengde Obediëntie “Le Droit Humain” en de tweede feministische golf.

 
“Le Droit Humain” is buiten de “Vrouwen Grootloge” de enige Belgische Obediëntie die vrouwen toelaat. Terwijl deze laatste uitsluitend vrouwen initieert, plaats “Le Droit Humain” steevast het principe van gemengdheid centraal. “Le Droit Humain” ontstond dan ook in de 19e eeuw in het verlengde van de eerste feministische beweging in Frankrijk.

De invloed van de vrijmetselarij op het maatschappelijk bestel. Een Belgische Case-Study: de Gemengde Obediëntie “Le droit Humain” en de emancipatiestrijd van de vrouw in de jaren 1960-1970

 

Vrijmetselarij en samenleving: De Gemengde Obediëntie “Le Droit Humain” en de tweede feministische golf.

 

“Le Droit Humain” is buiten de “Vrouwen Grootloge” de enige Belgische Obediëntie die vrouwen toelaat. Terwijl deze laatste uitsluitend vrouwen initieert, plaats “Le Droit Humain” steevast het principe van gemengdheid centraal. “Le Droit Humain” ontstond dan ook in de 19e eeuw in het verlengde van de eerste feministische beweging in Frankrijk. Hoewel vrouwen er al lange tijd het maçonnieke “No Women” aanklaagden, was de maatschappelijke bewustwording, die het gevolg was van de feministische beweging, namelijk noodzakelijk om vrijmetselaars te overtuigen van het nut van een gemengde Orde. Uiteindelijk zag deze, met behulp van progressieve vrijmetselaars, in 1893 het licht en verspreidde ze zich internationaal. Zo werd ook in België in 1928 een Federatie opgericht.

 

De band tussen “Le Droit Humain” en de feministische beweging kenmerkte zich verder doorheen het engagement van de eerste leden in de toenmalige vrouwenorganisaties. Ook in België kenmerkte deze traditie zich in het Interbellum, toen verschillende leden zich engageerden in het protest tegen de vrouwonvriendelijke arbeidswetten uit de jaren 1930.

Uit onderzoek naar de invloed van “Le Droit Humain” op de tweede feministische beweging in België blijkt echter dat dit engagement steeds moet worden gezien als iets puur individueels en niet als stuwing vanuit de Obediëntie. Hoewel de Obediëntie in haar basisconstituties het principe van de gelijkheid der seksen centraal plaatst, neemt ze namelijk geen standpunten in binnen de samenleving, voert ze geen emancipatorisch beleid en bestaat er geen regel dat de activiteiten van de leden ondersteund worden door de Federatie. Ook tast de grote autonomie van de loges in belangrijke mate de effectiviteit van de Federatie aan om zich als actor in de samenleving op te werpen.

 

Wel blijkt uit het onderzoek dat de Brusselse loge “Vérité” weldegelijk een zekere invloed had op het maatschappelijke debat in de jaren 1960-‘70. Deze loge kende, in tegenstelling tot de meerderheid van de toenmalige loges, namelijk een grote wisselwerking met de vrouwenbewegingen. Zo schakelden diverse leden van de Obediëntie zich in binnen de vrouwenorganisaties en werden er hieruit nieuwe leden gerekruteerd.

Deze concentratie van “avant-garde” vrouwen uitte zich in een verhoogde activiteit van “Vérité” in de samenleving. Zo lagen Marthe Van de Meulebroeke en Monique Van Tichelen in 1966 bijvoorbeeld aan de basis van het Actiecomité “Gelijk Werk, Gelijk Loon/A travail égal, salaire égal”, dat ijverde voor een economisch evenwaardig statuut voor vrouwen. Dit Comité werd opgericht naar aanleiding van de staking in de Nationale Wapenfabriek in Herstal (1966), waar arbeidsters wekenlang het werk stil legden uit protest voor de grote loonsongelijkheden tussen mannen en vrouwen.

 

Ook in het debat rond het recht van de vrouw op vruchtbaarheidsbeheersing lieten de vrouwen van “Vérité” zich niet onbetuigd. Onder leiding van Monique Rifflet werd er in 1962 zelfs over gegaan tot de oprichting van het eerste Brusselse gezinsplanningscentrum, “La Famille Heureuse”, waar vrouwen terecht konden voor onderricht in geboortecontrole en –beperking. Hoewel dit centrum enkel kon worden opgericht met de financiële steun van de Obediëntie, kende het een zeer pluralistisch karakter, waardoor het brede lagen in de samenleving kon aanspreken en mobiliseren. De centra, die in het verlengde van “La Famille Heureuse” ontstonden, plaatsten dan ook een grote druk op het politieke bestel, wat uiteindelijk leidde tot de legalisering van contraceptiva in 1973.

Ook hierna bleven de vrouwen van “Vérité” zich echter roeren. Monique Van Tichelen en Monique Rifflet schakelden zich onder meer in binnen het “Comité pour la dépénalisation de l’interruption de grossesse”, dat zich aan het eind van de jaren 1970 succesvol presenteerde als een overkoepelende drukkingsgroep, die ijverde voor de volledige depenalisering van abortus. Tevens oefende dit Comité een belangrijke brugfunctie uit tussen diverse politici en partijen. Zo leidden lange gesprekken tussen Van Tichelen en liberaal senator Lucienne Herman-Michielsen bijvoorbeeld tot een toenadering tussen liberalen en socialisten. Dit resulteerde in het gezamelijke wetsvoorstel Herman-Michielsen/Lallemand (1986), dat aan de basis lag van de abortuswet in 1990.

 

Hoewel de leden van “Vérité” zich steeds op persoonlijke titel engageerden en niet ageerden als lid van “Le Droit Humain”, speelde de structuur van de Federatie wel een zekere rol in het succes van de maçonnes. Het gesloten karakter van de Obediëntie had van de loges namelijk een progressieve denktank gemaakt, waar zelfs de meest controversiële debatten, zonder vrees voor repercussie, in een sfeer van openheid konden worden gehouden. Het feit dat er binnen “Le Droit Humain” reeds in de jaren 1930 debatten konden worden gehouden over seksualiteit en bewust moederschap verklaart dan ook in belangrijke mate de voortrekkersrol die de Obediëntie op het vlak van gezinsplanning vervulde.

Uit gesprekken met leden blijkt ook dat er van de structuur van de Obediëntie gebruik werd gemaakt om binnen de loges ruchtbaarheid te geven aan acties, steun te ronselen voor petities en manifestaties en om de vereiste deskundigheid voor een goed functioneren van de organisaties te vergaren. Ook zouden de maçonnes van deze netwerking gebruik hebben gemaakt om hun eisen weerspiegeld te zien in de media.

 

Hun contacten met de media waren echter steeds pluralistischer dan deze maçonnieke niche en de enorme mediabelangstelling voor de vrouwelijke problematieken kan dan ook onmogelijk verklaard worden door enkel maçonnieke inspanningen. Ook op het politieke niveau was er geen sprake van een directe politiek-maçonnieke beïnvloeding, daar de politieke partijen pas in de loop van de jaren 1980 de vrouweneisen begonnen te recupereren. Het is dan ook duidelijk dat hoewel de netwerking rond “Le Droit Humain” een zeker aspect heeft bepaald van het succes van de vrouwenbewegingen, het grote succes van de vrouwelijke contestatie in de jaren 1960-’70 in hoofdzaak te danken is aan de inzet en persistentie van talloze vrouwen en mannen, vrijmetselaar of niet.

 

 

Universiteit of Hogeschool
Politieke wetenschappen
Publicatiejaar
2006