Noodzakelijke redundantie

Bart Geerts
Noodzakelijke Redundantie
een zoektocht naar nergens niets
 
In 1965 schilderde Roman Opalka op een zwart doek met witte verf het getal 1. Van 1 ging hij naar 2, vandaar naar drie en zo was hij begonnen aan een oneindig werk. Toen het eerste doek van boven tot beneden vol stond met opeenvolgende getallen ging hij op een tweede doek van identieke afmetingen verder. De jaren gingen voorbij en Opalka bleef verder tellen en verder getallen schilderen. Vanaf 1972 voegde hij voor elk nieuw doek één procent witte verf toe aan de aanvankelijk zwarte achtergrondkleur van het vorige doek.

Noodzakelijke redundantie

Noodzakelijke Redundantie

een zoektocht naar nergens niets

 

In 1965 schilderde Roman Opalka op een zwart doek met witte verf het getal 1. Van 1 ging hij naar 2, vandaar naar drie en zo was hij begonnen aan een oneindig werk. Toen het eerste doek van boven tot beneden vol stond met opeenvolgende getallen ging hij op een tweede doek van identieke afmetingen verder. De jaren gingen voorbij en Opalka bleef verder tellen en verder getallen schilderen. Vanaf 1972 voegde hij voor elk nieuw doek één procent witte verf toe aan de aanvankelijk zwarte achtergrondkleur van het vorige doek. Opalka is nog altijd bezig en langzaam maar zeker benadert hij daarin de monochromie. De achtergrondkleur van zijn doeken is bijna wit geworden en op die bijna witte achtergrond schildert hij met witte verf steeds verder aan zijn getallenreeks.

 

Waar is die man in godsnaam mee bezig? Waarom altijd opnieuw verder werken aan die eindeloze reeks getallen? Waarom in witte verf op een wit doek schilderen? De vragen die het project van Opalka oproept zijn symptomatisch voor een brede ontwikkeling in de preoccupatie van kunstenaars doorheen de geschiedenis. Lange tijd was de belangrijkste vraag voor een kunstenaar wat hij zou schilderen. Voor hij kon beginnen schilderen, moest de kunstenaar weten welk motief of thema het onderwerp zou worden van zijn werk. Met de opkomst van de moderne avant-garde verschoof de aandacht van het onderwerp naar de manier van werken. ‘Hoe schilderen?’ werd de vraag waarmee de kunstenaar rekening moest houden. Nu, in de hedendaagse kunstwereld, is de vraagstelling nog radicaler geworden. Het zijn de fundamenten van de kunstproductie zelf, van het concept kunst zelf, die in vraag gesteld worden. ‘Waarom schilderen?’ Dat is de vraag waar zowel kunstenaar als toeschouwer mee worstelen.

 

Deze vraag raakt aan het intrinsieke van kunst zelf. Het is daarom dat het formuleren van een antwoord bepalend is geworden voor elke kunstpraktijk. Kunst bestaat vandaag, meer dan ooit, bij gratie van het talige discours dat er rond wordt gevoerd. Het zijn niet langer alleen maar schilderijen, tekeningen en schetsen die kunst maken tot wat het is. Het zijn ook bedenkingen, teksten en kritieken die deel uitmaken van dat geheel. Wat we impulsief verwachten op een vraag naar het waarom van iets is een soort van verklarende definitie. Maar dat lost met betrekking tot kunst de zaak niet op. Kunst laat zich immers niet zo gemakkelijk classificeren. Een van de wezenlijke aspecten van kunst lijkt net te zijn dat ze wil ontsnappen aan elke vorm van definitie. Kunst houdt zich eerder op in het domein van het aforisme: kunst als een futiele poging om te ontkomen aan de menselijke definiëringsdrang.

 

Misschien probeert Opalka ook steeds weer te ontkomen aan een sluitend antwoord. In plaats van zich op één getal vast te pinnen, telt hij voortdurend verder, alsof hij steeds wil ontsnappen aan het spoor dat hij achterlaat. Het project dat hij heeft opgezet is oneindig en tegelijkertijd futiel. Het is een beetje zoals je nooit verlost geraakt van je eigen schaduw. Je kan tot in het oneindige blijven proberen, tot je er letterlijk bij neervalt, maar je weet dat het nooit zal lukken. Het is een kroniek van een aangekondigde mislukking. Ook bij Opalka is de gedachte aan de uiteindelijke mislukking steeds onderhuids aanwezig, maar ligt de nadruk op het uitbouwen van de kroniek. Het is een werk van lange adem. We weten vooraf niet hoeveel tijd er rest om te pogen het te voltooien.

 

Het heeft iets van een rituele act waarbij de kunstenaar steeds de nakende mislukking wil uitstellen. Het is het uitstellen van een confrontatie met de dood. En ondertussen blijft hij maar gegevens verzamelen en ophopen en tellen en classificeren. Een kunstenaar die zijn oeuvre ontwikkelt, kan je vergelijken met iemand die bezig is een encyclopedie op te stellen. Dat kan gaan over één minuscuul aspect van zijn omgeving, zoals Opalka zich alleen bezig houdt met zijn getallenreeks, van 1 tot het oneindige imaginaire getal dat hij nooit zal bereiken. Of dat kan bijzonder gevarieerd zijn, zoals de objecten die Marcel Broodthaers verzamelde en tentoonstelde in zijn verschillende musea. Maar een kunstoeuvre is geen reguliere encyclopedie. Het werk dat hij wil voltooien is meer clandestien van aard omdat de kunstenaar precies focust op datgene wat door anderen vaak als irrelevant wordt bestempeld. Een kunstenaar werkt altijd in de marge; hij voedt zich met de kruimels die van de tafel vallen. Misschien zijn het zelfs alleen maar denkbeeldige kruimels. Kunst is een soort van empty spot geworden: een plaats waar iets gebeurt zonder dat het een zin, laat staan een doel, lijkt te hebben. Het heft zichzelf in zijn bestaan op.

 

Misschien is kunst gewoon overbodig geworden. De wereld zal niet anders beginnen spinnen als iemand als Roman Opalka op een dag stopt met tellen. Maar omdat iets overbodig is, betekent dat niet meteen dat het niet langer interessant is. Het is net de overbodigheid die kunst zo interessant maakt. De geste van een kunstenaar als Opalka is futiel en marginaal, maar het is tegelijkertijd een affirmatieve geste van verzet tegen alles wat we als futiel en marginaal ervaren. Het is net dat affirmatieve verzet, en tegelijk het besef dat dat verzet futiel is, wat de intrinsieke waarde bepaalt van een kunstwerk. De kunstenaar heeft in die optiek wel iets van Sisyphus die telkens weer zijn rotsblok de berg opduwt in de wetenschap dat het blok weer naar benenden zal rollen nog voor het boven is. Maar zoals Albert Camus al opmerkte in zijn versie van de Sisyphusmythe: “We moeten ons inbeelden dat Sisyphus gelukkig is.”. De voorwaarde daarvoor is een soort van hoop, een obsessioneel geloof in de waarde van datgene waar je mee bezig bent. Kunst verlangt van de beoefenaar een obsessionele toewijding en het lucide besef van haar eigen overbodigheid. Als een kunstenaar dat niet kan opbrengen kan hij beter stoppen met tellen.

 

Bart Geerts

 

Universiteit of Hogeschool
Beeldende Kunst, optie Vrije Kunsten
Publicatiejaar
2004
Share this on: