Hippische Fachpublizistik. Kontrastive Studie der Pferdefachsprache Deutsch-Niederlandisch

Anneleen Vanden Boer
Persbericht

Hippische Fachpublizistik. Kontrastive Studie der Pferdefachsprache Deutsch-Niederlandisch

“Juryleden zijn als pastoors die over seks praten:
ze weten wat het is, maar weten niet hoe het voelt”

 

Als u denkt dat een ‘paard met een goede aanvoer van achteruit’, veel stalmest produceert, of dat een ‘heet vosje’ de vriend van Gerard Reve is, dan neem ik aan dat de paardenwereld u vreemd is.
U hoeft zich niet te schamen, de vaktaal in paardenland is nu eenmaal complex. 
Zó complex, dat zelfs de meest ‘paardige’ mensen onder ons er moeite mee hebben. 
Toch wil een vaktaal de communicatie binnen een vakgebied net zo objectief en precies mogelijk laten verlopen.
Waarom is praten over paarden moeilijker dan praten over bridge of fotografie?
Die vraag was een studie waard.

Driehoeksverhoudingen zijn in de paardenwereld absoluut normaal.  Die ingewikkelde samenlevingsvorm legt de basis voor een al even ingewikkelde en unieke communicatie. 
Er is immers een onderlinge interactie tussen ruiter, trainer én paard.  En in tegenstelling tot een speelkaart of een fototoestel, kan je een paard niet schudden of opspannen, maar schudt het en spant het zich op.  Enfin, een paard is een levend wezen met een eigen karakter. 
Net die factor ‘paard’ zorgt ervoor dat de paardenvaktaal verre van conventioneel is. 
Het ‘aanvoelen’ van het paard eist in de hippische wereld namelijk de hoofdrol op en moet daarom ook onder woorden gebracht worden.  Nu weet iedereen die al eens verliefd geweest is, dat een mens de gekste kronkels maakt om zijn gevoelens te beschrijven. 
In de paardenvaktaal is dat dagelijkse kost en daardoor bezit ze naast de gebruikelijke terminologie ook een ruim arsenaal van de meest lyrische beeldspraak.  Er is één belangrijk detail: de beeldspraak in de paardenwereld is geen hitsig exces van een paardminnend mens, maar wél een noodzaak om te communiceren.

Terwijl terminologie de hoeksteen is van elke vaktaal, heeft de paardenvaktaal dus nog een extra component: de beeldspraak. 
Beide hebben een andere functie binnen de relatie ruiter, trainer en paard.  Er zijn namelijk twee manieren om informatie over te brengen.
Enerzijds worden er ‘waarnemingen’ gedaan over de relatie.  Die waarnemingen zijn vrij droog en saai, maar wél objectief.  Hier doen termen exact als streepjeskodes hun werk. 

Een trainer zegt bijvoorbeeld tegen een ruiter: “Jammer dat je paard een ramshoofd heeft.”  Vergelijk dat met een vrouw die tegen haar vriendin zegt: “Geef toe dat je man een grote, kromme neus heeft.”  De boodschap is helder en niet mis te verstaan.
Anderzijds is er ook een uitwisseling van ‘ervaringen’ binnen de relatie. 
Het betreft vooral de meer ‘intieme’ communicatie tussen ruiter en paard die gebaseerd is op gevoel.  Wanneer dat gevoel in letters en leestekens wordt omgezet, krijgen we vaak lyrische omschrijvingen te horen.  Kleurrijk, creatief en erg subjectief.
In dit geval wordt er beeldspraak gebruikt, die in tegenstelling tot de terminologie, alleen functioneert in een specifieke context.
Zo kan een ruiter over zijn soepele paard zeggen: “Hij heeft een mond als boter.” 
Vertaald in mensentaal zou dat betekenen: “Wat kan die vent goed kussen!”. 
U raadt het al; dat soort uitspraken is gevoelig voor interpretatie. 

 

Die ruimte voor interpretatie maakt de receptie van de paardenvaktaal er niet gemakkelijker op.  Uit onze interviews met paardenexperts komt vaak een ondertoon van frustratie naar boven, omdat de ander bijvoorbeeld niet begrijpt hoe je kan ‘zitten als een dennenboom’.  Het leidt vaak tot houterige discussies over wat je nu eigenlijk moet ‘voelen’. 
Wat dacht u van: “benen als natte handdoeken”. 
Het lijkt magie, maar menig ruiter krijgt er natte dromen van.  Toch het is juist het gegoochel met termen waarmee vaak de eigen onkunde verdoezeld wordt.
De Nederlandse dressuurbondscoach, Bert Rutten, zegt daarover het volgende: “Je kan je de mond open praten, maar op het moment dat de ruiter ‘het’ heeft en hij voelt het niet, dan houdt alles op.  En dan is de communicatie in wezen over.”
”Daarbij komt”, zegt olympisch dressuurruiter Arjen Teeuwissen, “dat het gevoel dikwijls anders is dan het beeld.”  Als je bedenkt dat een ruiter óp het paard zit en een trainer er toch steeds zo’n tien meter vandaan staat, kan de communicatie niet anders dan stroef verlopen.
Het draait allemaal om ‘aanvoelen’ en omschrijven en zoals we al opmerkten is beeldspraak daarvoor onmisbaar. 
Uiteindelijk zit er voor een trainer vaak niets anders op dan zélf op het paard te gaan zitten en te voelen wat er loos is.  Een competente trainer moet ‘goed bij zijn zinnen zijn’.  Je kan immers pas zien wat er gebeurt, als je het eerst zelf gevoeld hebt.
Rutten vat het treffend samen: “Juryleden zijn als pastoors die over seks praten: ze weten wat het is, maar weten niet hoe het voelt.”

 

Behalve de samenstelling en de receptieproblemen wilden we ook achterhalen hoe er in een andere taal over paarden gecommuniceerd wordt.
Het onderzoek werd daarom contrastief doorgevoerd, waarbij het Nederlands steeds met het Duits werd vergeleken.  We kozen het Duits als uitgangstaal, omdat ze de Heimat is van de paardenfokkerij en dressuur, waartoe we het onderzoek beperkten.
De directe vertaalvergelijking leverde verrassende resultaten op.

De nachtmerrie van onvertaalbare metaforen staat immers niet in paardenwereld op stal.  De conceptualisering van de beelden is in beide talen juist heel gelijklopend.  Dat maakt de vertaling gemakkelijker en bewijst eveneens dat de beelden in de paardenwereld niet willekeurig zijn.  Er duiken immers dezelfde omschrijvingen op.  Ze moeten dus wel didactisch nut hebben.

Al is er voor de terminologie geen sprake van intern-geografische of temporele verschuivingen –de paardenwereld is immers beperkt en conservatief- toch vormt juist die component het grootste struikelblok bij het vertalen.
Er was dus zeker nood aan een vertalend woordenboek Duits-Nederlands-Duits over de paardenterminologie en dat werd dan ook tijdens het onderzoek opgesteld.

Deze studie wil een aanzet zijn om via dezelfde werkmethode meer inzicht te krijgen in de bijzondere samenstelling en de receptieproblemen van andere vaktalen.  Zo kunnen pijnpunten in de instructie blootgelegd worden waardoor de communicatie en de didactische aanpak binnen het vakdomein verbeteren.  Verder zal het niveau van gespecialiseerde vertalingen en journalistiek stijgen en het zal gemakkelijker worden om vreemde vaktalen aan te leren.

 

Universiteit of Hogeschool
Toegepaste taalkunde, vertaalkunde
Publicatiejaar
2004
Share this on: