Schoolinterne begeleiding in kaart gebracht

Stijn Seys
Scholen investeren in leerlingenbegeleiding
 
“De laatste vijf, tien jaar is het aantal leerlingen met problemen dermate toegenomen, dat geen enkele school er nog kan naast kijken”.
De uitspraak komt van Rik Logghe, pedagogisch adviseur voor het katholiek onderwijs in West-Vlaanderen.

Schoolinterne begeleiding in kaart gebracht

Scholen investeren in leerlingenbegeleiding

 

“De laatste vijf, tien jaar is het aantal leerlingen met problemen dermate toegenomen, dat geen enkele school er nog kan naast kijken”.

De uitspraak komt van Rik Logghe, pedagogisch adviseur voor het katholiek onderwijs in West-Vlaanderen. Hij deed deze uitspraak aan het begin van het vorige schooljaar in de Krant van West-Vlaanderen.

Zijn vaststelling vormde de aanleiding voor Ides Depotter, leraar aan de Reno in Torhout (Hogeschool lerarenopleiding), en Stijn Seys, laatstejaarsstudent aan deze hogeschool, om in het kader van een eindwerk na te gaan hoe scholen een antwoord proberen te zoeken op het toenemend aantal leerlingen met problemen. In hun onderzoeksopzet speelde ook de vraag mee of de lerarenopleiding in haar onderwijsprogramma meer moet investeren in de voorbereiding van de toekomstige leerkracht op z’n latere begeleidingstaak. 

 

Met hun onderzoek wilden Depotter en Seys op de eerste plaats de leerlingenbegeleiding in de eigen provincie in kaart brengen. De onderzoeksgroep voor hun uitgebreide bevraging werd mee samengesteld door de verschillende CLB-medewerkers die er in het vrije onderwijsnet werken. Zij selecteerden 260 leerlingenbegeleiders uit 73 scholen van het secundair onderwijs. Dit ruime aantal was alvast een eerste aanduiding voor hun latere algemene vaststelling: scholen investeren de laatste jaren volop in een goede uitbouw van een schoolinterne leerlingenbegeleiding.

 

“Leerlingenbegeleiding draait vaak op de vrijwillige inzet van leraars.”

 

Vanuit z’n vele contacten met leraren en directies was het pedagogisch adviseur Logghe opgevallen hoe de uitbouw van een eigen leerlingenbegeleiding in heel wat scholen afhankelijk is van de vrijwillige inzet en het persoonlijk engagement van een aantal leerkrachten. Naast hun eigenlijke opdracht als lesgever begeleiden deze leerkrachten frequent een aantal leerlingen.

 

Uit de bevraging blijkt evenwel dat de kleine helft (40%) hun begeleidingstaak niet combineren met een onderwijsopdracht. Het merendeel van deze begeleiders oefenen hun begeleidingstaak voltijds uit. Dit brengt de onderzoekers tot de vaststelling dat zowat 1/3 van de schoolinterne leerlingenbegeleiders door hun school aangesteld zijn om fulltime leerlingen met problemen te helpen. Bij bijna de helft onder hen gaat het om recent afgestudeerden.

 

De leerlingenbegeleider-lesgever

 

Iets meer dan de helft van de schoolinterne leerlingenbegeleiders (60%) geeft ook les. Ook  bij deze groep valt de toenemende investering van scholen in leerlingenbegeleiding op. Ruim 2/3 van de ‘leerlingenbegeleiders-lesgevers’ hebben een duidelijk mandaat voor hun begeleidingstaak. Zij worden hiertoe gemiddeld 5,5 uur per week vrijgesteld door hun school.

 

De meeste leraars die op deze basis leerlingen begeleiden ervaren de combinatie ‘leerlingenbegeleider-leerkracht’ als een voordeel. In de enquête geven ze duidelijk aan dat ze als begeleidende leerkracht een betere band met de leerlingen kunnen uitbouwen. Ook ervaart slechts 36% onder hen de drempel om de hulp van een leerlingen-begeleider in te roepen. Dit cijfer ligt heel wat hoger bij leerlingenbegeleiders die geen les geven (69%). Anderzijds getuigen de ‘leerlingenbegeleiders-lesgevers’ dat ze soms problemen ondervinden met hun “dubbele rol” (evalueren en sanctioneren t.o.v. begeleiden ).

 

Om welke leerlingenproblemen gaat het?

 

Met welke problemen komen leerlingen bij de leerlingenbegeleider terecht? Er duikt een duidelijke “top 2" in de onderzoeksresultaten op: vooral pest- en emotionele problemen. Daarnaast doen leerlingen een beroep op de leerlingenbegeleider bij (in dalende frequentie) studieproblemen, leerstoornissen, gezinsproblemen, problemen van relationele aard en faalangst.

Bij de meeste van deze problemen start de begeleider zelf een (individuele) begeleiding van de leerling op.

 

Opvallend is het gegeven dat heel wat leerlingenbegeleiders (60%) aangeven dat ze in hun werk maar zelden geconfronteerd worden met problemen van drugsgebruik en -dealing en spijbelaars. Vooral bij de eerste problematiek verwijst de leerlingenbegeleider frequent door naar andere hulpverleners. Ook in situaties van mishandeling, verwaarlozing en eetstoornissen. Op deze terreinen voelen vele leerlingenbegeleiders zich ook niet deskundig genoeg. De inschatting van de eigen deskundigheid als leerlingenbegeleider blijkt ten andere in het algemeen niet hoog te liggen.

 

De cel leerlingenbegeleiding

 

In slechts een minderheid van de scholen in de onderzoeksgroep is de schoolinterne leerlingenbegeleiding zwak gestructureerd en wordt er enkel onderling overleg gepleegd wanneer dit nodig geacht wordt. In de meeste scholen is er op dit vlak geregeld overleg en samenwerking tussen de verschillende betrokkenen.

De leerlingenbegeleider ervaart heel wat steun in z’n begeleidingswerk vanuit de ‘cel leerlingenbegeleiding’. Dit overlegplatform van collega’s (leerlingenbegeleiders, CLB, leraars, directie) heeft een centrale plaats in de begeleidingsstructuur van heel wat scholen. Het formaliseren van overlegmomenten optimaliseert het begeleidingswerk. Daarnaast zorgt het ook voor een correcte omgang met vertrouwelijke leerlingeninformatie die vooral gedeeld wordt op het niveau van deze ‘cel ‘.

 

Leerlingenbegeleider: een moeilijke job?

 

Leerlingenbegeleiders ervaren hun job als heel gevarieerd. Over het algemeen vinden ze ook dat ze voldoende waardering krijgen van collega’s, directie en ouders. Toch wordt de mentale belasting van deze job duidelijk aangevoeld. Dat kan verklaard worden vanuit het beperkte deskundigheidsgevoel bij de leerlingenbegeleiders en de ervaren doeltreffendheid. Bepalende factoren voor succesvol begeleidingswerk zijn volgens de leerlingenbegeleiders vooral de tijdigheid van het opstarten van de begeleiding, de intensiteit van de begeleiding, de steun van de omgeving en de kwaliteit van de relatie tussen leerling en begeleider. Deze voorwaarden zijn zeker niet altijd aanwezig.

Om een vertrouwensrelatie te bewerkstelligen, moet de leerlingenbegeleider een aantal kwaliteiten hebben. Hij moet zich open, eerlijk en consequent kunnen opstellen. Anderzijds moet hij ook luisterbereid,  empathisch en geduldig zijn. Hij mag geen ver- of beoordelende houding aannemen en moet de leerling steeds ernstig nemen in z’n problematiek.

 

En de lerarenopleiding?

 

De schoolinterne leerlingenbegeleider lijkt z’n plaats verworven te hebben. Scholen formuleren zo een antwoord op de toename aan hulpvragen. Leerlingenbegeleiders nemen heel wat werk op zich. Niet elke leerlingenbegeleider voelt zich evenwel voor deze taak voldoende opgeleid.  De meeste leerlingenbegeleiders zijn immers leerkracht. Slecht een minderheid genoot een opleiding in de psychosociale sector.

Dit gegeven kan het beperkte deskundigheidsgevoel van nogal wat leerlingenbegeleiders verklaren. Het feit dat het onderzoek anderzijds bij de meeste leerlingenbegeleiders maar een beperkte behoefte tot navorming vaststelde, lijkt hiermee in tegenspraak te zijn.

Universiteit of Hogeschool
Initiële opleiding secundair onderwijs
Publicatiejaar
2003
Share this on: