Het slagveld van den arbeid

Joris Van Elsen
'Het slagveld van den arbeid'
Overleven in de haven van Antwerpen rond 1900
 
Op de Suikerrui naast het Antwerpse stadhuis staat de trotse buildrager van Meunier. Met opgeheven hoofd en de armen in de zij geslagen, kijkt hij naar de Scheldekaaien waar hij heeft gezwoegd in omstandigheden die we ons vandaag nauwelijks nog voor kunnen stellen. De buildrager is het icoon van de historische en thans volledig verdwenen havenarbeider.

Het slagveld van den arbeid

'Het slagveld van den arbeid'
Overleven in de haven van Antwerpen rond 1900

 

Op de Suikerrui naast het Antwerpse stadhuis staat de trotse buildrager van Meunier. Met opgeheven hoofd en de armen in de zij geslagen, kijkt hij naar de Scheldekaaien waar hij heeft gezwoegd in omstandigheden die we ons vandaag nauwelijks nog voor kunnen stellen. De buildrager is het icoon van de historische en thans volledig verdwenen havenarbeider. Bijgestaan door stouwers, wegers, markeerders, zakophouders, zakkennaaisters (in de volksmond 'zakkenwijven' geheten) en nog vele anderen, versjouwde hij met zijn kameraden de scheepsladingen van het schip naar de kaai en omgekeerd. Zijn sterke maar tengere lichaam kreeg het hard te verduren. Ondanks de kap die zijn hoofd, schouders en rug beschermde, schuurden de ruwe zakken en balen zijn rug open tot "ééne rauwe vleeschwonde". Het werk was zwaar, lang en erg gevaarlijk. "Tientallen zijn gezond van lijf en leden naar hun werk getogen om eenige uren later als vormelooze vleeschklompen te worden opgeborgen in de doodenkamer van het ziekenhuis."

De Nederlandse dokwerker-auteur Hein Mol beschreef de haven in zijn memoires als "het slagveld van den arbeid". Niet omdat er zoveel werd gevochten (wat veel mensen graag zouden geloven), maar omdat de arbeiders, in de omgang met de talrijke gevaren die hen omringden, flirtten met de dood. Net als soldaten hadden zij een ware doodsverachting of juister, konden zij hun angst voor kwetsuren en ongevallen opzij zetten en ondergeschikt maken aan het vergaren van een zo groot mogelijk loon. Dat de havenarbeiders risico's namen om hun baan veilig te stellen, was bijna rationeel te noemen. Ondervoedde arbeiders konden onmogelijk zware lasten torsen, waren vatbaar voor ziekten en riskeerden tijdelijk buiten strijd te geraken. De dokwerkers verkozen dan ook de risico's van de havenarbeid boven de zekerheid van de ondervoeding voor hen en het hele gezin.

 

Het gevaar hing de dokwerkers bijna continu boven het hoofd. De kraanvrachten die onophoudelijk door het luchtruim zweefden, schoven herhaaldelijk uit hun kettingen en donderden meedogenloos naar beneden. Losgeraakte machineonderdelen legden dezelfde weg af en slecht gestapelde goederen verpletterden niets vermoedende voorbijgangers. Maar ook de arbeiders zelf ondergingen de wetten van de zwaartekracht. Geregeld braken dokwerkers hun nek, schedel of ruggengraat op de kaaien of een scheepsbodem. Arbeiders die het frisse Scheldewater verkozen boven de ijzeren scheepsruimen of solide kasseien, moesten zich ondanks hun zware gereedschap drijvende zien te houden tot hulp kon worden aangereikt. Dokwerkers die zich alsnog staande wisten te houden, moesten nog opletten voor slingerende lasten, bewegende machineonderdelen, rijdende voertuigen, verraderlijke krammen en haken en zoveel meer.

De meeste ongevallen gebeurden op één van bovenstaande manieren, maar sommige arbeiders waren erg inventief bij het verongelukken. In 1912 stootte een invalide kraanman met zijn houten been tegen de afsluitklep van een stoomlier, die hierdoor onverwacht in werking schoot. Zijn kleren geraakten verstrikt tussen de trommel en de kabel van de lier, waardoor de ongelukkige aan zijn kleren naar voor werd getrokken en overleed aan een schedelbreuk. Datzelfde jaar bezweek een dokwerker nadat de geneesheer hem had meegedeeld dat zijn hand moest worden afgezet.

 

De dokwerkersvrouwen waren wellicht de enigen die zich zorgen maakten over de veiligheid van hun man. Ze vreesden de komst van de wijkagent die zijn klak afnam om te zeggen dat hun echtgenoot in een ongeval was omgekomen. De havenarbeiders zelf hadden leren leven met het arbeidsrisico. Zolang gevaarlijk werk meer betaald werd, bleef elk verzet tegen het verwaarlozen van de veiligheidsvoorschriften uit. Ze renden over de smalle, wiebelende planken die de schepen met de kade verbonden, leunden ver over de scheepsgaten om beter te kunnen zien wat er benedendeks gebeurde en haalden allerlei krachttoeren uit om hun kameraden te imponeren.

De 'bazen' namen het niet zo nauw met de veiligheidsvoorschriften. Werkmateriaal laten keuren of vervangen kostte veel geld en de werkgevers kenden wel lucratievere za(k)ken om dat in te steken. Ze joegen hun werkvolk op om de schepen zo snel mogelijk te laden en te lossen. Elke beweging die ook maar de minste vertraging van het werkproces inhield, werd begeleid door een stortvloed van krachttermen uit de mond van de arbeidsopzichter. Zelfs wegduiken voor een gevaarlijk dicht langskomende vracht was een scheldtirade waard.

Van de wetgever moesten de havenarbeiders geen steun verwachten. In de negentiende eeuw bestonden er geen wetten om de dokwerkers te beschermen en de algemene arbeidswetten werden aan de haven nooit gecontroleerd. Het duurde tot 1906 voor de nationale overheid scheen te beseffen dat ook de dokwerkers arbeiders waren en dus op dezelfde rechten aanspraak maakten als de andere industriearbeiders. Maar de wetten van de fysica bleken meer slagkracht te hebben dan die van de Belgische staat. De vele gevaren bleven bestaan en het aantal arbeidsongevallen steeg elk jaar.

 

Sinds de negentiende eeuw heeft de Antwerpse haven een ingrijpende gedaanteverwisseling doorgemaakt. Er werden dokken bij gegraven en nieuwe kaaien aangelegd. De natiepaarden kregen de concurrentie van tractoren en camions te verduren en nieuwe machines verdreven de buildragers van het toneel. De introductie van paletten (stapelborden), bulldozers, transportbanden, vorkheftrucks, straddle carriers, mobiele kranen en kraanwagens, maakten de havenarbeid echter niet minder gevaarlijk.

Volgens een rapport van de CEPA (Centrale der Werkgevers aan de Haven van Antwerpen) verongelukten vorig jaar drie havenarbeiders tijdens hun werk. Meer dan 1500 anderen moesten tijdelijk het werk staken om te herstellen van opgelopen verwondingen en zo'n tweehonderd dokwerkers geraakten blijvend werkonbekwaam. De vijfduizend arbeiders die vandaag aan de haven werken, hebben jaarlijks één kans op drie om in een min of meer ernstig ongeval betrokken te geraken. En de toekomst ziet er niet veel beter uit, want als Europa haar plannen om de havenarbeid te liberaliseren doorvoert, zullen onze dokwerkers mogelijk af te rekenen krijgen met een toeloop van gelegenheidsarbeiders en vreemde zeelui die de stiel niet kennen.

 

Joris Van Elsen

 

Universiteit of Hogeschool
Geschiedenis
Publicatiejaar
2003
Share this on: