Adellijke levensstijl

Koen De Vlieger-De Wilde
Adellijke levensstijl.
 
Ze waren met zes, allemaal lang en smal, het ene al wat groter dan het andere. Hun kalfsleren en perkamenten banden omarmden honderden bladzijden gevuld met duizenden korte zinnetjes. Eeuwen geleden had Livina de Beer (1656-1741), de gravin van Bergeyck, ze één voor één neergepend in zwierige, wat kinderlijke letters. Van 1689 tot 1738 nam de gravin elke paar dagen plichtsbewust de ganzeveer ter hand om alle uitgaven van haar huishouden te noteren.

Adellijke levensstijl

Adellijke levensstijl.

 

Ze waren met zes, allemaal lang en smal, het ene al wat groter dan het andere. Hun kalfsleren en perkamenten banden omarmden honderden bladzijden gevuld met duizenden korte zinnetjes. Eeuwen geleden had Livina de Beer (1656-1741), de gravin van Bergeyck, ze één voor één neergepend in zwierige, wat kinderlijke letters. Van 1689 tot 1738 nam de gravin elke paar dagen plichtsbewust de ganzeveer ter hand om alle uitgaven van haar huishouden te noteren. Een eindeloze parade van levensmiddelen, stoffen, meubelen, brandstoffen, reizen, winkeliers, bedienden, ambachtslieden, maanden, jaren, guldens en stuivers vulde journaal na journaal. Na de dood van de oude gravin werden haar boekjes bewaard op de zolders van herenhuizen en kastelen en uiteindelijk – zeven generaties later – ter beschikking gesteld van het historisch onderzoek. Vanaf dat moment werden ze ‘bronnen’, wormgaten waardoor geschiedkundigen naar het verleden kijken.

 

Huishoudjournalen zijn inderdaad uitgelezen bronnen om te gluren door de fluwelen gordijnen en te luistervinken aan de gesculpteerde deuren van Livina de Beer en haar gezin. Livina was de echtgenote van Jan van Brouchoven (1644-1725), de tweede graaf van Bergeyck en één van de meest vooraanstaande Zuid-Nederlandse politici op het einde van de Spaanse periode. De Bergeycks verkeerden in de hoogste adellijke kringen in binnen- en buitenland, ze waren rijk en genoten aanzien in de ogen van hun tijdgenoten. Mijmeringen over de levensstijl van dergelijke aristocraten dwalen spontaan af naar exclusieve interieurs, modieuze garderobes, opgedirkte lakeien, somptueuze banketten, klatergoud, koetsen en kastelen. Voor een deel is dat natuurlijk terecht: de huishoudjournalen tonen dat de Bergeycks zich permanent omringden met het mooiste, het duurste, het beste, het nieuwste, het meeste, het exclusiefste, het fijnste en het zeldzaamste dat de wereld hen te bieden had. Toch mogen gluurders zich niet laten verblinden door de schittering van al dat fraais. Tussen de lijnen van glitter en glamour zitten nog veel meer en soms zelfs onvermoede aspecten van de aristocratische levensstijl verborgen.

 

De documenten uit het familiearchief werpen in de eerste plaats nieuw licht op het personeel, dat een meervoudige betekenis had voor de aristocraten die ze dienden. Zo werden de relaties tussen meesters en bedienden – of tussen werkgevers en werknemers – tegelijkertijd beïnvloed door affectie, paternalisme en contractualisme.  Bovendien waren de taken van het personeel veel gecompliceerder dan schuren en sleuren, stoken en koken, wassen en plassen. Slechts een minderheid van de inwonende bedienden hield zich bezig met hard labeur en noeste arbeid, omdat die systematisch werd uitbesteed aan externe dagloners. Kameniers en gezelschapsdames met verfijnde manieren of smetteloos geklede koetsiers, lakeien en postiljons hadden een heel andere functie. Ze verzorgden de persoonlijke dienst aan de meesters en ze proclameerden de status van de familie. Deze ware bedienden werden gekozen, gekleed en geoefend om in het publiek te verschijnen als levende emblemen van status, macht en rijkdom.

De betekenis van bedienden ging echter verder dan nut en prestige. Ze beschermden hun meesters tegen ongewenste contacten met inferieuren, ze traden op als reisleiders en ze hadden de dagelijkse voedselvoorziening, de aanschaf van huishoudelijke benodigdheden en de coördinatie van onderhoudswerken overgenomen. De journalen onthullen een fundamentele tweedeling in het adellijke consumptiepatroon, want de Bergeycks investeerden ook zélf tijd en moeite in belangrijke, identiteitsbepalende aankopen, zoals kleding, meubelen en decoratie. Ze ontvingen verkopers in het salon, flaneerden door de winkelstraten of correspondeerden met leveranciers in Parijs. De persoonlijke aristocratische consumptie was geen één-op-één-relatie: tussen de edelman en de ambachtsman speelden zogenaamde ‘middelaars’ een cruciale rol. Ondernemende winkeliers, vaklieden en bedienden adviseerden en informeerden hun adellijke klanten en ze coördineerden het hele productieproces van kamerschermen, jurken of ledikanten. In een vertrouwensrelatie en met kennis van zaken gaven deze middelaars mee vorm aan de adellijke levensstijl.

 

De journalen illustreren ook dat de statusconsumptie van edellieden complexer en gelaagder was dan klassieke clichés van verspilling en overdaad doen vermoeden. Jan van Brouchoven en Livina de Beer hadden immers niet alleen een hoge, maar ook een adellijke en een oude status. Ze toonden hun hoge status door te leven in luxe en zich te omringen met meer dan dertig bedienden. Hun adellijke status onderstreepten ze door traditionele, middeleeuwse symbolen zoals kastelen, wapendracht, blazoenen en portretten in ere te houden. De ouderdom van hun status werd bewezen door het ‘patina’ van hun bezittingen, letterlijk een door ouderdom veroorzaakte verandering van het oppervlak, maar figuurlijk een maatstaf voor de anciënniteit van een geslacht, voor de tijd die ze reeds aan de top van de maatschappij hadden doorgebracht.

Naast de duidelijk aanwezige statusconsumptie tonen de archiefbronnen ook vormen van wat men ‘creatieve consumptie’ zou kunnen noemen. Ten eerste gebeurden er in het huishouden van de Bergeycks constant kleine reparaties aan het huisraad, van potten en pannen tot matrassen en manden. Koetsen en tuigage kregen een opknapbeurt, meubels werden gerestaureerd, kledingstukken werden verbreed of verkort, herverfd of herplooid, ondersteboven of binnenstebuiten gedraaid. Verder begaven de Bergeycks zich regelmatig op de tweedehandsmarkt. Ze lieten hun bedienden bieden op veilingen en boedelverkopen en verkochten zelf hun overbodige spulletjes. Daarnaast huurden de graaf en de gravin allerlei consumptiegoederen, van huizen, koetsen en paarden tot bedden, kleding en tapijten. Tot slot werden er rond het kasteel van de familie een variëteit aan levensmiddelen geproduceerd. Deze creatieve consumptie wijst in de richting van een bewust impression management, van schone schijn, van gierigheid achter de schermen en ostentatie voor het oog van de buitenwereld. Toch zijn er ook alternatieve, minder moraliserende verklaringen mogelijk. Creatieve consumptie zat ingebakken in de vroegmoderne tijd en bleek bovendien dikwijls het resultaat van weloverwogen, rationele beslissingen. De Bergeycks wilden niet louter de kosten van hun dure levensstijl drukken. Ze hadden ook goede redenen om een kast te laten herstellen, om tweedehands porselein te kopen, om bedden te huren of om groenten-uit-eigen-tuin te eten.

 

In de consumptie van de Bergeycks kwamen meerdere traditioneel tegengestelde begrippen tegelijkertijd aan bod. Ze sloopten de kunstmatige grenzen (of sloegen de brug) tussen paternalisme en contractualisme tegenover hun personeel, tussen persoonlijke bekommernis en afhankelijkheid van middelaars, tussen traditie en moderniteit, tussen statusconsumptie en verstandig beheer. Of tot wat een huishoudjournaal leiden kan.

 

Universiteit of Hogeschool
Geschiedenis
Publicatiejaar
2003