Staatsvijand nr.1: de coloradokever

Thomas Bostoen
Staatsvijand nr. 1: De coloradokever
 
In 1824 vertrok de insectenkundige Thomas Say in opdracht van de Amerikaanse overheid op een wetenschappelijke expeditie. Het doel van de expeditie was de Rocky Mountains te verkennen. Hij ontdekte er, naast vele andere zaken, een geel kevertje met tien zwarte strepen. Het kevertje met zijn onschuldig voorkomen kreeg de wetenschappelijke naam Leptinotarsa Decemlineata (Say).

Staatsvijand nr.1: de coloradokever

Staatsvijand nr. 1: De coloradokever

 

In 1824 vertrok de insectenkundige Thomas Say in opdracht van de Amerikaanse overheid op een wetenschappelijke expeditie. Het doel van de expeditie was de Rocky Mountains te verkennen. Hij ontdekte er, naast vele andere zaken, een geel kevertje met tien zwarte strepen. Het kevertje met zijn onschuldig voorkomen kreeg de wetenschappelijke naam Leptinotarsa Decemlineata (Say). Hij kon niet vermoeden dat enkele decennia later veel mensen met grote angst over de coloradokever zouden spreken. 

 

Toen Amerikaanse pioniers in het midden van de 19de eeuw spoorwegen aanlegden en steden bouwden, introduceerden ze eveneens de aardappel in het verspreidingsgebied van de coloradokever. De kever nam de aardappelplant dankbaar als favoriete voedselplant aan en vermenigvuldigde er zich razendsnel op. Het gevolg was dat de oogstopbrengsten drastisch begonnen te verminderen. Met behulp van primitieve machines, houten tangetjes en een insecticide, parijs-groen genaamd, probeerde de Amerikaanse bevolking de plaag tevergeefs in te dijken. Rond 1874 verscheen de coloradokever aan de Atlantische Oceaan. De kever had in vijftien jaar 2500 kilometer overbrugd en een areaal van vier miljoen vierkante kilometer veroverd.

 

Al heel snel verschenen spectaculaire berichten uit Amerika in Europese kranten: coloradokevers brachten treinen tot stilstand of maakten het de badgasten onmogelijk om in de zee te gaan zwemmen. In België ontstond net zoals in de rest van Europa een ware angstpsychose. In 1874 schreef men in het Oost-Vlaamse weekblad De Akkerbouw bijvoorbeeld het volgende: “Als de verwoesting eens aangevangen is, kan deze pest niet worden uitgeroeid, noch door eene aanhoudende droogte, noch om het even welke verandering van weder, noch door de vermindering van dit ongedierte! Er zullen er immer genoeg overblijven om de afwezigen te vervangen”. Er ging geen week voorbij of er verscheen wel ergens een onrustwekkend artikel over de coloradokever. Naast die journalistieke exploitatie deed zich ook een commerciële exploitatie voor. De coloradokever werd op een etiket van een elixer geplaatst om de verkoop de hoogte in te jagen. Chocoladefabrieken ontwierpen chocoladen coloradokevertjes die razendsnel verkocht werden.

 

Dat er zo’n paniek uitbrak, was eigenlijk niet zo verwonderlijk. Het was nog maar goed dertig jaar geleden dat andere landbouwplagen in Europa voor een grote hongersnood en armoede zorgden. Zo was maar liefst één derde van de Ierse bevolking verplicht te emigreren door het voedseltekort! De aardappel behoorde in de 19de eeuw tot het basisvoedsel. Een eventueel verdwijnen van de aardappel door een coloradokeverplaag zou een nieuwe ramp betekend hebben. Na 1900 zwakte de angst in Europa voor een coloradokeverinvasie wat af. Af en toe deed zich een opflakkering voor als er een beginnende haard moest worden uitgeroeid. Dat gebeurde op aardappelvelden bij enkele havens in Duitsland en Engeland. Het was wachten tot 1935 vooraleer de coloradokever in België opdook. 

De overheid had in de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw gepoogd via allerlei invoerverboden van aardappelen de coloradokever tegen te houden. Deze invoerverboden kenden overigens ook heel wat tegenstanders. Daarnaast had men al vrij vlug werk gemaakt van enkele voorlichtingsbrochures en affiches om de Belgische bevolking kennis te laten maken met de coloradokever. Na 1918 dook de coloradokever in Frankrijk op. De Belgische overheid begreep dat het een kwestie van jaren was vooraleer de kever de Belgische aardappelvelden zou bevolken. Terwijl men in Frankrijk de grootste moeite had om de bevolking te motiveren de kever te verdelgen, gaf de Belgische minister van Landbouw het sein tot een grote voorlichtingscampagne. Er werd in 1933 een comité antidoryphorique in het leven geroepen dat voor alle mogelijke rampscenario’s de juiste bestrijdingsplannen moest opstellen. Door het Ministerieel Besluit van 10 april 1933 werd de bestrijding van de coloradokever verplicht. 

 

Toen de coloradokever in 1935 ook in onze streken opdook, kon onmiddellijk op een efficiënte manier werk gemaakt worden van de bestrijding. Maar in 1938 zorgden felle winden ervoor dat heel België besmet werd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog viel de bestrijding vaak stil of waren de nodige insecticiden niet verkrijgbaar. Nochtans probeerde de Duitse bezettende overheid de bestrijding te stimuleren. Na 1945 was de situatie dan ook onrustwekkend te noemen. Een nieuwe voorlichtingscampagne en een algemene mobilisatie van schoolkinderen en het gebruik van legermateriaal was het antwoord van de Belgische regering. De schoolkinderen plukten de coloradokevers van de aardappelplanten en op het strand aangespoelde kevers werden met vlammenwerpers van het leger te lijf gegaan. Uiteindelijk zou de coloradokever na enkele decennia het onderspit moeten delven.  Dat was onder meer te danken aan beruchte sproeistoffen zoals DDT. Het sproeien of verstuiven van de aardappelvelden werd door de boeren geleidelijk aan als een fase in het teeltproces beschouwd.

 

Het veelvuldig gebruik van affiches, strooibriefjes –al dan niet uit vliegtuigen gestrooid–, radioberichten, voordrachten, postkaarten, kleurenkaarten had zijn vruchten afgeworpen. Men probeerde ook op speelse wijze de kinderen en volwassenen door middel van een muzikaal sprookje of een sketch voor te lichten. Na de Tweede Wereldoorlog werd ook de televisie ingeschakeld. Zowel de lokale overheid als de nationale overheid speelden in de voorlichting en bestrijding een grote rol. De burgemeester dreigde met zware boetes en gevangenisstraffen om landbouwers die de bestrijding verwaarloosden tot andere gedachten te brengen. Ook voor de Belgische Boerenbond was een grote rol weggelegd. Via het weekblad De Boer werden alle leden voortdurend opgeroepen om de coloradokever te bestrijden. Heel opvallend in de voorlichting was het gebruik van oorlogsmetaforen. Men sprak over invasies, het bezette gebied, wachthouden en stormtroepen. De kever werd bestempeld als een staatsgevaarlijke boef die een bres in de verdediging had geslagen. Dienstweigeraars werden niet geduld.

 

De internationale samenwerking was in eerste instantie beperkt tot het organiseren van conferenties en academische voordrachten. Pas na de Tweede Wereldoorlog kan er gesproken worden van een daadwerkelijke internationale samenwerking. Naast het organiseren van voorlichtingscampagnes door een Internationaal Comité ter bestrijding van de coloradokever was er ook financiële steun van de niet-besmette landen. Dat was zeker niet overbodig. De coloradokever bereikte tegen 1985 zelfs China. In West-Europa lijkt de coloradokever niet meer aanwezig te zijn. Maar het gevaar loert om de hoek. In Oost-Europa en Oost-Duitsland zorgt hij opnieuw voor veel schade. Er is dus een reële kans dat de coloradokever over een tiental jaren terug in België opduikt. De coloradokever wordt heel snel resistent tegen sproeistoffen en het broeikaseffect vergroot zijn overlevingskansen. Het actuele onderzoek naar natuurlijke vijanden is dus uitermate belangrijk. Het coloradokever-verhaal krijgt ongetwijfeld nog een staartje. 

Universiteit of Hogeschool
Publicatiejaar
2002