Sociaal-artistieke projecten: Brug of wegomlegging?

Mieke Claes Petra Beyens Heidi Brosens Karlien Vranken
Katholieke Hogeschool Kempen
Campus HIKempen Geel
Departement Sociaal Werk
 
Sociaal – artistieke projecten
 
Brug of wegomlegging?
 
Petra Beyens
Heidi Brosens
Mieke Claes
Kathleen Meeus
Karlien Vranken
 
Academiejaar 2001 - 2002
 
Maatschappelijk assistent
Optie sociaal – cultureel werk
Sociaal – artistieke projecten
Brug of wegomlegging?
 
“Waarover gaat je eindwerk?”  “Over sociaal – artistieke projecten.”  “Wat voor projecten?”  Die vraag kregen wij regelmatig.  Wij?  Wij ja, aangezien het in onze opleiding tot sociaal – cultureel werker de gewoonte is dat een eindwerk door een groep van

Sociaal-artistieke projecten: Brug of wegomlegging?

Katholieke Hogeschool Kempen

Campus HIKempen Geel

Departement Sociaal Werk

 

Sociaal – artistieke projecten

 

Brug of wegomlegging?

 

Petra Beyens

Heidi Brosens

Mieke Claes

Kathleen Meeus

Karlien Vranken

 

Academiejaar 2001 - 2002

 

Maatschappelijk assistent

Optie sociaal – cultureel werk

Sociaal – artistieke projecten

Brug of wegomlegging?

 

“Waarover gaat je eindwerk?”  “Over sociaal – artistieke projecten.”  “Wat voor projecten?”  Die vraag kregen wij regelmatig.  Wij?  Wij ja, aangezien het in onze opleiding tot sociaal – cultureel werker de gewoonte is dat een eindwerk door een groep van studenten geschreven wordt.  Wij schreven dan ook met vijf personen het eindwerk met als titel: “Sociaal – artistieke projecten, brug of wegomlegging?  Het eerste deel van het eindwerk bestaat uit  een gemeenschappelijk, theoretisch deel.  Het tweede deel bestaat uit afzonderlijke delen waarin ieder van ons individueel de theorie toetste aan de praktijk, ieder op onze eigen stageplaats. 

 

Met de theoretische bagage vertrokken wij elk op stage.  Wij keken elk op onze stageplaats naar de toepasbaarheid van sociaal – artistieke projecten.  Het werkveld had ons heel wat te bieden.  Petra nam een kijkje bij onze noorderburen, en liep stage op Oase in Enschede waar men bezig is met creatieve therapie voor vluchtelingen.  Heidi trok nog verder weg en beschrijft haar ervaringen op Skådespelet in Zweden.  Mieke liep stage in het Openbaar Psychiatrisch Ziekenhuis, Dienst Vrije Tijd, in Geel.  Kathleen was tijdens haar stage actief binnen Theater Stap en Dagcentrum Kasteel.  Karlien liep stage op Jeugdhuis De Bogaard in Geel.  Hierna trokken wij samen enkele algemene conclusies. 

 

Sociaal – artistieke projecten is nog een erg nieuw begrip in de Vlaamse samenleving.  Als vertrekpunt namen wij 1994, al waren er al eerder projecten in die richting.  In 1994 gaven kansarmen in het Algemeen Verslag over de Armoede aan dat zij het moeilijk hebben met het feit dat ze niet volwaardig kunnen deelnemen aan cultuur.  Voor hen betekent deelname aan cultuur hetzelfde als deelname aan de samenleving. 

 

Cultuur wordt door de Koning Boudewijnstichting omschreven als het hele levensdomein waarin mensen hun waarden en gedachten, hun visies en ideeën uitdrukken en met elkaar communiceren. 

 

De reactie op dit verslag was dan ook het ontstaan van ART23* – projecten op initiatief van de Koning Boudewijnstichting en de vzw Kunst en Democratie.  Deze projecten zijn gebaseerd op het artikel 23 in de grondwet waarin gesteld wordt dat elke mens recht heeft op een menswaardig bestaan en dus ook op culturele en maatschappelijke ontplooiing.

 

In Antwerpen werd door het Sociaal Impulsfonds in hun beleidsplan van 1997 geformuleerd dat cultuur één van de hefbomen kan zijn in de strijd tegen kansarmoede en sociale uitsluiting.  Cultuurbeleving is een basisrecht voor ieder individu en is een essentieel onderdeel van het samen – leven van elke dag. 

 

In de tweede projectoproep ART23* II wilde men via artistieke weg mensen die in armoede leven een stem geven zodat ook zij volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. 

 

In de beleidsnota 2000 – 2004 van de ondertussen voormalige minister van Cultuur, Bert Anciaux, werd een regelgeving rond sociaal – artistieke projecten opgesteld.  Hierdoor werden de projecten financieel aangemoedigd en kregen de projecten een kader met meer structuur.  De doelstelling om de culturele competentie te verhogen en de cultuurparticipatie te verruimen, wordt hiermee ook bereikt. 

 

De huidige situatie is zo dat projecten worden opgestart vanuit de culturele sector en minder vanuit de welzijnssector.  Wat de doelgroep betreft, werkt men vaak met jongeren.  Qua werkvorm kiest men meestal voor podiumkunsten. 

 

Wanneer we over cultuur en vooral over cultuurspreiding spreken, moeten we een aantal vragen in ons achterhoofd houden.  Een belangrijke vraag vonden wij: “Waar bemoeien we ons eigenlijk mee en waarom doen we dat?”

 

Waarom moeten we persé mensen toeleiden tot en laten participeren aan cultuur?  En over welke cultuur spreken we dan?  De cultuursocioloog Hans Blokland gaf ons een interessante visie op cultuur.  Hij vertrekt vanuit het begrip vrijheid.  Vrijheid werd door hem opgesplitst in negatieve en positieve vrijheid.  De negatieve vrijheid staat dan voor je eigen leven kunnen leiden, ongestoord door anderen.  Het tweede verwijst naar het vermogen van mensen om bewust zelf richting te kunnen geven aan hun eigen leven of meester te zijn over hun eigen bestaan.  Blokland vertrekt vanuit de positieve vrijheid waarin het doel is om een situatie te creëren waarin mensen zelf reële keuzes kunnen maken.  Hiervoor moeten ze niet enkel over een vermogen tot beredeneerd kiezen beschikken, ze moeten de beschikbare alternatieven ook enigszins kennen om zo te komen tot autonomie.

 

In het emancipatiedilemma gaat het in de eerste dimensie rond de afweging tussen negatieve en positieve vrijheid.  In hoeverre is het geoorloofd om in het privé-leven van iemand binnen te treden om de keuzemogelijkheden te verbreden?  In de tweede dimensie draait rond de vraag: “Mag je interveniëren in iemands privé-leven om bestaande, als verwerpelijk of niet – optimaal beschouwde culturele voorkeuren te veranderen?  Twee redenen zijn hiervoor aan te geven: mensen voelen de aandrang om zelf op zoek te gaan naar alternatieve waarheden niet, wat nodig is om tot autonomie te komen.  Anderzijds maken sociale structuren en processen het de mensen niet gemakkelijk om met alternatieven in aanraking te komen. 

 

Wij vinden dat je de overheid verantwoordelijk kunt stellen voor het feit dat sommige mensen in culturele armoede leven, omdat dit gelijk is aan een vorm van vrijheidsbeperking.  Mensen zijn het product van maakbare en veranderbare sociale structuren en processen.  De samenleving moet er voortdurend over waken dat de weg naar autonomie zoveel mogelijk vrij blijft.  Cultuur vormt een noodzakelijke voorwaarde tot individuele autonomie.  Er bestaat een verband tussen het kunnen deelnemen aan de cultuur en het kunnen participeren in de bestaande democratische structuren.  We moeten mensen eerst vertrouwd maken met de aangeboden cultuur vooraleer ze de vrijheid hebben om te beslissen wat ze er verder mee doen.

 

De cultuursocioloog Bourdieu geeft dan weer aan dat enkel het onderwijssysteem de bestaande ongelijkheid kan veranderen.  Het onderwijs is een belangrijk doorgeefluik van de hogere cultuur. 

Het onderwijs leert de kinderen nu enkel de hogere culturen te erkennen, als beter en hoogstaander, zonder hen daarbinnen ook echt te socialiseren.  Indien alle beschikbare onderwijsmiddelen alsnog worden gemobiliseerd, bestaat volgens Bourdieu de kans dat de van huis uit meegekregen smaken en voorkeuren kunnen worden bijgesteld. 

 

Waarom is cultuur zo belangrijk?  Cultuur is een zingevend referentiekader voor het dagelijks leven.  Om samen te leven is een gedeelde cultuur noodzakelijk.  Door de multiculturele samenleving met zijn sterke socio-culturele verschillen ontstaat er differentiatie en segmentatie.  Wanneer de cultuur gedeeld wordt door alle burgers, komen we tot de integratie van alle burgers. 

 

Binnen het sociaal – artistieke werkterrein kunnen we spreken over een aantal spanningsvelden.  Enerzijds is er de spanning tussen kunstenaar en sociaal – cultureel werker.  Wie moet er nu zo’n project begeleiden?  De sociaal – cultureel werker krijgt in zijn opleiding verschillende leerdomeinen aangereikt die volgens ons bruikbaar zijn bij sociaal – artistieke projecten, namelijk: educatie, cultuur, organisatie en activering.  Door deze specifieke kennis-, vaardigheids-, en houdingselementen die een sociaal – cultureel werker krijgt aangeboden in zijn opleiding kan hij/zij een grote meerwaarde bieden aan sociaal – artistieke projecten.  Al is dit niet genoeg, en kiezen wij voor een aanvulling van een kunstenaar die beter vertrouwd is met de artistieke kant van de zaak. 

 

Is bij een sociaal – artistiek project het proces of het product het belangrijkst?  Het product is belangrijk om de deelnemers een extra steun en groter zelfvertrouwen te geven.  Wanneer men iets kan laten zien wat knap is, zal een project de goedkeuring wegdragen van toeschouwers en de overheid.  Het proces is ook belangrijk, men moet streven naar een manier van werken waarin elke deelnemer zich goed voelt. 

 

Wordt kunst gebruikt als doel of als middel om cultuurparticipatie te bereiken?  Wij menen dat het doel en het middel stoelendans spelen en elkaar afwisselen. 

 

En als laatste spanningsveld: kiest men voor sociaal – artistieke projecten of voor artistiek – sociale projecten?  Wij zien zelf deze woorden als een tandem die niet los te koppelen is, het één kan niet zonder het ander. 

 

Wanneer je dus een sociaal – artistiek project opstart met cultureel achtergestelde groepen, vinden wij het belangrijk om het project niet te eenzijdig te bekijken en alle bovenstaande elementen te betrekken in je project. 

 

Na deze theorie bespraken wij elk de praktijk van sociaal – artistieke projecten op onze stageplaats. 

Universiteit of Hogeschool
Publicatiejaar
2002
Deel deze scriptie