Medicalisering vh orthopedagogisch werkveld

Pieter Verstraete
Medicalisering van het orthopedagogisch werkveld: Foucault en de Franse gehandicaptenzorg in de 19e eeuw.
 
Verstraete, P., Masschelein, J. & Hellinckx, W.
 
In onze verhandeling hebben we eerst en vooral gepoogd een status questionis op te stellen van de bestaande literatuur over het concept ‘medicalisering’. De verschillende benaderingen van dit fenomeen kunnen we onderverdelen in twee verschillende groepen. Aan de ene kant vinden we de eerder cultuur-sociologisch en cultuurhistorisch georiënteerde richtingen.

Medicalisering vh orthopedagogisch werkveld

Medicalisering van het orthopedagogisch werkveld: Foucault en de Franse gehandicaptenzorg in de 19e eeuw.

 

Verstraete, P., Masschelein, J. & Hellinckx, W.

 

In onze verhandeling hebben we eerst en vooral gepoogd een status questionis op te stellen van de bestaande literatuur over het concept ‘medicalisering’. De verschillende benaderingen van dit fenomeen kunnen we onderverdelen in twee verschillende groepen. Aan de ene kant vinden we de eerder cultuur-sociologisch en cultuurhistorisch georiënteerde richtingen. Aan de andere kant staan de eerder filosofisch georiënteerde benaderingen.

 

De eerste groep auteurs - Illich, Zola, Velle, Freidson, Parsons, Elias, de Swaan - hebben één gemeenschappelijk kenmerk. Allen zijn ze ervan overtuigd dat medicalisering opgevat moet worden als een medische herdefiniëring van sociale en culturele problemen zoals daar zijn homofilie, ADHD, onanie enz. Deze gebieden, zo stelt men, worden door de artsen zo in kaart gebracht dat zij de enige legitieme actoren worden in het diagnostisch proces en het behandelingsproces.

 

Parsons was de eerste auteur die gewag maakte van een medicaliseringsproces. Deze auteur stelde dit proces voor als een evenwichtsbewarend mechanisme in de samenleving. Hij was de enige die de medicalisering een positieve betekenis meegaf. Zola stelde de medicalisering voor als een vorm van sociale controle uitgaande van de artsen ter vervanging van de religie en het recht. Voor Illich bevond het brandpunt van zijn kritiek zich dan weer in de talloze iatrogene effecten (sociaal, klinisch en cultureel) die hij ontwaarde binnen het maatschappelijk bestel. Voor Freidson was dan weer het monopolie van de beroepsgroep een centraal aandachtspunt en Elias zag de medicalisering als een onderdeel van het beschavingsproces dat de evolutie in de samenleving kon verklaren. De Swaan tenslotte vertrok vanuit het concept van de protoprofessionalisering en voorzag de bevolking op deze manier van een actieve rol in het medicaliseringsproces. De bevolking nam volgens de Swaan de taal van de artsen over en bewoog zich in de werkelijkheid voort als een pseudoarts met een vereenvoudigde vorm van medische kennis.

 

De voornaamste kritiek die ten aanzien van deze zogenaamde cultuur-sociologische benaderingen geformuleerd kan worden heeft betrekking op hun perceptie van macht. De machtsopvatting die deze auteurs aanhingen kunnen we met de woorden van de franse filosoof Michel Foucault voorstellen als een traditionele machtsopvatting. Men stelt de macht voor als negatief en onderdrukkend. De gewone burger wordt onderworpen aan de wil en de machtslust van de artsen. Macht kan dus volgens deze auteurs verworven worden. Ons inziens is het onmogelijk om genoegen te nemen met een dergelijke gesimplificeerde voorstelling van een zo complex fenomeen als macht. Foucault doet veel meer recht aan deze machtige complexiteit

 

Een tweede benadering die onderscheiden kan worden ten aanzien van het fenomeen medicalisering is dus eerder politiek-filosofisch van aard. In de loop van de geschiedenis hebben vele grote filosofen zich ingelaten met de geneeskunde en er kritieken tegen geformuleerd. Een ervan was Michel Foucault, de onruststoker uit de jaren ’60.

 

De vader van Foucault wou dat hij arts of psychiater werd. Foucault vatte deze studie echter nooit aan maar is wel interesse blijven betonen voor de geneeskunde als studiedomein. Zijn bekendste werk hierover is het boek De geboorte van de kliniek. Het waarschijnlijk meest beruchte concept van deze filosoof 'biomacht' wordt hier als uitgangspunt genomen om een nieuw betekenisgebied voor het woord ‘medicalisering’ te ontsluiten.

 

Biomacht omschrijft Foucault als het geheel van machtsstrategieën die nergens permanent gesitueerd kunnen worden maar die altijd wel ergens effecten resorteren. Deze zeer gevarieerde strategieën hebben altijd reeds bestaan maar kenden een immense toename in de 18de eeuw en de 19de eeuw onder impuls van de opkomend bourgeoisie en het nakende kapitalisme. De macht zou, aldus Foucault, naast zijn uitdrukking ook zijn aandacht verleggen en zich meer toespitsen op het welzijn van de individuen, de rijkdom van een bevolking, de kracht van een lichaam, kortom op het leven zelf.

 

Medicalisering kunnen we dus zien, het voorgaande in gedachten, als een deelverzameling strategieën van deze biomacht. De geneeskunde als wetenschap bij uitstek van het leven zelf werd namelijk door 'de' politiek hoog in het vaandel gedragen in haar zoektocht naar arbeidskracht en verhoging van de kwaliteit van leven. Herkenning bleef dus niet uit.

 

Het is deze interpretatie die we willen toetsen aan een aantal originele teksten uit de negentiende eeuw handelend over 'idioten'. Al deze teksten werden geschreven door artsen. Wilden we kunnen spreken van een medicaliseringstendens ten aanzien van deze jonge kinderen met een mentale handicap dan moesten we de kenmerken terugvinden die Foucault toeschreef aan biomacht. Welke vragen stelden we dan concreet? Konden we in de teksten over idiotie een indelingsdrang vaststellen, zowel tussen idioten en normale mensen als binnen de groep van de idioten zelf? Had men aandacht voor het lichaam van de idioot eerder dan voor zijn ziel? Was men geïnteresseerd in het leven van de idioten in de kracht van hun lichaam in hun voortplantingscapaciteiten? Maakten observatie en registratie duidelijk deel uit van de 'behandeling' van deze idioten? Hechtte men veel belang aan arbeid? Stelde men de idioten voor als gevaarlijke individuen? Legde men expliciet de relatie tussen de zorg voor deze idioten en het welzijn van de samenleving? Was het zo dat de zorg voor idioten tot stand kwam door toedoen van artsen, op vraag van de bevolking en in functie van een krachtigere en veiligere maatschappij, een betere samenleving en een machtigere verdedigingsbasis ten aanzien van naburige volkeren?

 

Op de meeste van bovenstaande vragen hebben we een bevestigend antwoord gevonden. Rond 1800 werden de idioten afgezonderd van de normale bevolking en andere geesteszieken mede omwille van hun specifieke werkonbekwaamheid. De classificatie die sindsdien altijd een belangrijk aandachtspunt was van de artsen maakte gedurende de negentiende eeuw gebruik van verschillende criteria waarbij we een accentverschuiving konden waarnemen naar het leven zelf. Terwijl Esquirol de idioten nog indeelde op basis van hun spraakvermogen zagen we bij Belhomme en Voisin een classificatie ontstaan die zich baseerde op de mate waarin de idioot kon instaan voor zijn eigen leven. Het leven leek ook in de omgang met de idioten zijn ingang gevonden te hebben. Een leven dat van toen af aan vlugger, diepgaander en meer continu geobserveerd zou worden. De registratie van gegevens nam in de loop van de negentiende eeuw verschillende vormen aan. Itard en Bonnaterre waren als het ware de pioniers. Zij schreven samen drie uitgebreide rapporten over de Wilde van Aveyron. Deze voorstellingswijze werd algauw verlaten om de efficiëntere techniek te gebruiken van de tekening, eerst het gehele lichaam en later enkel het hoofd. Onder invloed van de frenologische en de opkomende statistische wetenschap stapte men daarna over naar de voorstelling door middel van cijfers en tabellen. Uit deze laatste werd voor de toenmalige artsen alras duidelijk dat niet alleen de idioot afweek van een bepaalde natuurlijke norm maar dat door deze abnormale individuen ook de maatschappij in haar totaliteit afwijkingen vertoonde. De opmars naar welzijn en rijkdom werd door verschillende individuen gestoord en de idioot was hier één van. Wou men, heel cru gesteld, deze toestand normaliseren dan moest men de idioten proberen in te schakelen in het arbeidsproces of op zijn minst hun negatieve invloed uit te schakelen. Het concept ‘éducabilité’ zou er, zo menen wij, nooit gekomen zijn indien deze preoccupatie er niet zou geweest zijn. Ook zonder de frenologische theorie zouden er minder impulsen geweest zijn tot het opvoeden van deze idioten.

 

Universiteit of Hogeschool
Publicatiejaar
2002
Deel deze scriptie