Het gebruik van adnominale en pronominale verwijzingen door kinderen met verschillende taalachtergronden uit het vierde leerjaar en het tweede middelbaar in Vlaams-Brabant.

Rani
Decock

Het koe graast in de wei, maar geeft hij ook melk? - Het Nederlands in beweging.

Kleine woordjes in het Nederlands.
Gaan uw (talige) tenen ook krullen bij het lezen van de vraag in de hogerstaande titel? Dan merkte u waarschijnlijk meteen de verkeerde lidwoordkeuze op bij het substantief ‘koe’. De fictieve schrijver had immers ‘de’ moeten kiezen en niet ‘het’. En wat met het tweede deel van de vraag, merkt u daar ook iets vreemd op? Het persoonlijke voornaamwoord ‘hij’ verwijst naar ‘koe’, maar een koe is een vrouwelijk dier. Bijgevolg is het correcte persoonlijke voornaamwoord ‘zij’ en niet ‘hij’, toch? Taalfout of taalverandering? Lees vooral verder!

Als je me begrijpt is het al goed!
Deze uitspraak heeft u waarschijnlijk al eens gehoord. Volgens deze stelling mogen taalfouten verwaarloosd worden als ze geen afbreuk doen aan de betekenis van de uiting. Het is zo nu en dan de respons op een opmerking als deze: Wat je daar zei is niet juist, je maakte een taalfout. Vaak hebben dergelijke taalfouten betrekking op de ‘kleine woordjes’ in het Nederlands. Dit is ook zo in de vraag in de hogerstaande titel. Een dergelijk voorbeeld bewijst dat betekenis overgedragen kan worden, ondanks taalfouten.

Verwaarloosbaar of cruciaal?  
De betekenis bij het verkeerde gebruik van lidwoorden en persoonlijke voornaamwoorden komt dus niet steeds in het gedrang. Wel kunnen dergelijke taalfouten de indruk geven dat men het Nederlands (nog) niet voldoende beheerst. Men kan zich daarom afvragen of de hogerstaande, onverschillige uitspraak nog steeds gerechtvaardigd kan worden in de huidige maatschappij. Men stelt immers zowel in het professionele als in het sociale leven steeds hogere eisen op vlak van taal. Om die reden zette ik door met mijn onderzoek naar het gebruik van lidwoorden en persoonlijke voornaamwoorden in het Nederlands, ook al werden me meer dan eens vreemde blikken toegeworpen bij het horen van mijn onderwerp. Bovendien staat het Nederlands niet stil, ook niet wat betreft deze ‘kleine woordjes’. Daarom is het belangrijk om toch even aandacht te besteden aan dit onderwerp.

Lidwoorden en persoonlijke voornaamwoorden getest.
De deelnemers in dit onderzoek vulden een driedelige, schriftelijke test in. In elk deel werd gevraagd om steeds het correcte verwijswoord in de zin te omcirkelen. Het eerste deel omvat een reeks zinnen zoals ‘De/het stoel is rood’ waarbij men in elke zin de keuze had tussen ‘de’ en ‘het’ als correct lidwoord. In het tweede en het derde deel is het verwijswoord telkens een persoonlijk voornaamwoord. Voorbeelden van deze reeksen zinnen zijn: ‘Mijn vriend zit op een leuke stoel. Hij/zij/het is van mij’ en ‘Waarom draait het wiel niet meer rond? Omdat ik hem/haar/het stuk maakte’. In deze twee delen wordt met andere woorden respectievelijk het gebruik van de persoonlijke voornaamwoorden in de subjectsvorm en in de objectsvorm onderzocht.

Hoe ouder de taalgebruiker, hoe hoger de scores?
Concreet bestudeerde ik het taalgebruik van 304 kinderen uit Vlaams-Brabant. Dit om een algemeen beeld te kunnen vormen van hun vaardigheden en omdat ik verwachtte dat de eventuele taalveranderingen zich eerst zouden manifesteren bij de jongste sprekers van het Nederlands. De deelnemende kinderen kunnen ingedeeld worden in twee groepen, namelijk 151 leerlingen uit het vierde leerjaar (gemiddeld negen jaar) en 153 leerlingen uit het tweede middelbaar (gemiddeld dertien jaar). Op die manier kon bij de analyse van de resultaten het effect van de factor ‘leeftijd’ onderzocht worden. Uit de resultaten bleek zoals verwacht dat de oudere leerlingen beter scoorden dan de jongere leerlingen, zowel voor het gebruik van de lidwoorden als van de persoonlijke voornaamwoorden.

Taalachtergrond als cruciale invloed?
Alle leerlingen liepen op het moment van de testafname school in diverse gemeenten in de Vlaamse rand rond Brussel. Het zal u dus niet verbazen dat er een enorme variatie aan moedertalen aanwezig is. Om die reden werden de leerlingen ingedeeld in drie groepen, namelijk ‘Nederlandstaligen’, ‘tweetaligen’ en ‘anderstaligen’. Respectievelijk houdt dit het volgende in: Enkel Nederlands als moedertaal, Nederlands en een andere taal of talen als moedertaal, en een -of meertalig met uitzondering van het Nederlands. Bij een vergelijking van de resultaten werden gradueel afnemende scores verwacht van de ‘Nederlandstaligen’ naar de ‘tweetaligen’ naar de ‘anderstaligen’, aangezien deze indeling een dalende blootstelling aan het Nederlands inhoudt. De voorspelde invloed van de factor ‘taalachtergrond’ werd echter slechts in een beperkt aantal gevallen waargenomen. Een gedetailleerdere indeling die de diversiteit aan moedertalen beter omvat, zou bijgevolg meer inzicht kunnen bieden in de invloed van de taalachtergrond op het gebruik van de lidwoorden en persoonlijke voornaamwoorden.

Taal in verandering.
Het Nederlands kan ingedeeld worden in ‘noordelijk’ en ‘zuidelijk’ Nederlands. Men maakt dan een onderscheid tussen respectievelijk het Nederlands in Nederland en het Nederlands in België. De noordelijke Nederlandse sprekers worden nog vaak beschouwd als voorlopers wat betreft taalverandering. De zuidelijke Nederlandse taalgebruikers lijken dan weer steevast op achtervolgen aangesteld te zijn. Dit is ook het geval bij de ontwikkelingen omtrent het gebruik van persoonlijke voornaamwoorden. In dit onderzoek werd echter aangetoond dat de onderzochte zuidelijke Nederlandse taalgebruikers een heuse inhaalbeweging aan het maken zijn op dit vlak. Er werden twee tendensen waargenomen, namelijk ‘de teloorgang van het drie-generasysteem’ en ‘het hersemantiseringsproces’. Dit wil zeggen dat de traditionele driedeling om substantieven in te delen volgens Van Dale, namelijk ‘mannelijk/vrouwelijk/onzijdig', langzaamaan aan het verdwijnen is. Het zogenaamde drie-generasysteem maakt plaats voor een nieuw semantisch systeem; dit is ‘het hersemantiseringsproces’. Concreet worden de persoonlijke voornaamwoorden gekozen aan de hand van de semantische kenmerken van het desbetreffende substantief, zoals bijvoorbeeld ‘telbaar’, ‘abstract’ of ‘concreet’.

En de koe graast rustig verder…
De ‘kleine woordjes’ in het Nederlands zijn dus niet zo verwaarloosbaar als ze wel eens mogen lijken. Op een bepaalde leeftijd verwacht men immers dat de lidwoorden correct gebruikt worden. En wat met de koe? Geeft hij of zij nu melk? Het blijft een vrouwelijk dier, maar het is ook een telbaar en concreet substantief. Om die reden zou volgens de recente ontwikkelingen voor een mannelijk persoonlijk voornaamwoord gekozen moeten worden. Taalfout of taalverandering? Het is maar hoe je het bekijkt!

Download scriptie (1.62 MB)
Universiteit of Hogeschool
Vrije Universiteit Brussel
Thesis jaar
2015