Brandstof voor de vrede of olie op het vuur? Een onderzoek naar de olie-industrie als factor in de conflicten in Angola, de democratische Republiek Congo en Congo-Brazzaville

Nils
Duquet

“Brandstof voor de vrede of olie op het vuur?” - Nils Duquet

 

Onlangs won de Keniaanse Wangari Maathai, oprichtster van de green belt movement die in Afrika meer dan dertig miljoen bomen heeft gepland, de Nobelprijs voor de vrede. Deze keuze deed bij velen de wenkbrauwen fronsen. Wat hebben bomen in het bijzonder en grondstoffen in het algemeen met vrede te maken? Zeer veel zo blijkt uit het licentiaatsonderzoek van Nils Duquet naar de mogelijke rol van de olie-industrie in conflicten in centraal-Afrika. De focus van zijn onderzoek lag op drie olieproducerende buurlanden Angola, de Democrarische Republiek Congo (het voormalige Zaïre) en Congo-Brazzaville, die in de jaren ’90werden geteisterd  door gewapende conflicten. Hij komt tot de conclusie dat de aanwezigheid van de olie-industrie alles behalve pacificerend heeft gewerkt, maar juist conflictbevorderend was. De olierijkdommen waren niet enkel het doel van de strijdende partijen, maar financierden en structureerden ze ook in grote mate. De controle over deze inkomsten in tijden van oorlog hebben aanleiding gegeven tot een alternatief systeem van  economische winsten en politieke macht die in vredestijd veel minder aanvaard zou worden. De conflicten waren dan ook erg voordelig voor enkele goedgeplaatste elites. Het destructief gedrag van deze elites werd decennialang actief ondersteund door de aanwezige oliemaatschappijen en hun thuislanden met als enig doel de eigen lucratieve oliebelangen te verdedigen. Uiteindelijk kon het hen weinig schelen wie de uiteindelijke overwinnaar werd, zolang zij maar aan gunstige voorwaarden hun activiteiten konden verder zetten. In ruil voor oliebelangen stonden ze niet enkel in voor een continue stroom aan inkomsten, maar soms leverden ze ook rechtstreeks militair materieel en logistieke steun aan de strijdende partijen.

 

De Golf van Guinee, gelegen aan de Westkust van Afrika, wordt omwille van commerciële en strategische redenen (enkel Nigeria is lid van de OPEC) beschouwd als een van ’s werelds belangrijkste oliegebieden. Van de onderzochte landen zijn vooral Angola en in mindere mate Congo-Brazzaville belangrijke olieproducerende landen. Olie staat in beide landen in voor 90% van de export en is zonder twijfel de belangrijkste bron van staatsinkomsten. Hoeveel deze olie-inkomsten precies bedragen is een groot geheim. Het heersende regime heeft namelijk de absolute controle over deze inkomsten en verdeelt ze onder haar bondgenoten en rivalen om zo haar machtspositie te behouden. Staatshoofd zijn in een van deze landen is dan ook een van de meest lucratieve jobs in Afrika. Het hoeft niet te verbazen dat het belangrijkste doel van de strijdende partijen in de verschillende burgeroorlogen in deze landen dan ook de controle van de staatsmacht was.

In Angola evolueerde het conflict, na het aan beide zijden wegvallen de cruciale steun van de buitenlandse bondgenoten, begin jaren ’90 naar een ‘strijd tussen olie en diamant’. Terwijl de MPLA-regering van Eduardo Dos Santos de olie-inkomsten kanaliseerde richting het leger en persoonlijke bankrekeningen, gingen de UNITA-rebellen van Jonas Savimbi zich toeleggen op de exploitatie van diamant in de door hen gecontroleerde gebieden. Het gevolg was een erg intensieve en bloedige strijd die, in tegenstelling tot de meeste andere Afrikaanse burgeroorlogen, werd uitgevochten met de modernste en duurste wapens. Uiteindelijk bezorgden de spectaculair stijgende olie-inkomsten de MPLA-regering de overwinning.

In Congo-Brazaville, waar buiten olie geen grote hoeveelheden van andere grondstoffen te vinden zijn, was zo’n evolutie geen optie. Toch was ook de spiraal van geweld die begin jaren ’90 losbarstte onlosmakelijk verbonden met de aanwezigheid van een belangrijke olie-industrie in dit land. Lage prijzen op de wereldoliemarkt eind jaren ’80 zorgden voor een diepe economische crisis die rechtstreeks bijdroegen tot het in elkaar storten van het marxistisch regime van Dennis Sassou-Nguesso. Het democratisch experiment dat daarop volgde mislukte en ontaarde al gauw in een  regelrechte burgeroorlog tussen de gewapende milities van de verschillende politieke rivalen. In 1997 kon voormalige machthebber Sassou-Nguesso, gesteund door het Angolese leger en de Franse oliemaatschappij Elf die beiden in de eerste plaats hun eigen oliebelangen verdedigden, de macht definitief verwerven.

 

In vergelijking met Angola en Congo-Brazzaville is de DRC een oliedwerg. De olie-industrie heeft in dit land dan ook een andere rol gespeeld dan in de buurlanden. Op het eerste gezicht lijkt het alsof oliebelangen weinig invloed hebben gehad op het verloop van het conflict in de DRC. Dit beeld klopt echter niet: olie heeft wel degelijk een belangrijke rol gespeeld, maar het betreft hier in de eerste plaats Angolese olie. De militaire tussenkomst van Angolese leger was namelijk gericht op de oliebelangenverdediging van het eigen regime. Verder speelde de olie-industrie een rol als oorlogsbuit voor de militaire inspanningen van het Angolese leger.

 

Behalve de internationale oliemaatschappijen en hun thuislanden kan het Angolese regime van Dos Santos dan ook beschouwd een van de grote winnaars van de conflicten in centraal-Afrika. De gewapende conflicten in haar buurlanden zorgden voor een machtsvacuüm waarvan dit regime, met behulp van haar militaire superioriteit, handig gebruik heeft gemaakt met het oog op het verzilveren van haar groeiende regionale ambities en het verwerven van de controle over grote delen van de olievoorraden van de buren. Dos Santos controleert op dit moment een 1000-kilometer lange kuststrook die beschouwd wordt als een van de lucratiefste offshore oliegebieden ter wereld. Een evolutie die door de Westerse landen niet wordt gecontesteerd, tenminste niet zolang hun stijgende vraag naar olie niet in gevaar komt en de Westerse oliemaatschappijen van deze situatie kunnen profiteren. Toch ziet de toekomst er niet volledig rooskleurig uit voor het regime van Dos Santos. Een eerste bedreiging voor dit regime is het gevaar van separatisme van Cabinda, het hart van Angola’s olierijkdom. De FLEC strijdt al decennia voor onafhankelijkheid dit gebied en dus controle over de olie-inkomsten. Voorlopig hebben deze acties, als gevolg van een gebrek aan financiële middelen en internationale steun, weinig succes. Mocht het regime van Dos Santos echter in ongenade vallen bij de grote Westerse mogendheden dan zou het tij voor deze separatistische beweging wel eens erg snel kunnen keren. Een tweede bedreiging zijn het grote aantal erg dure olieleningen die door het regime van Dos Santos zijn aangegaan met het oog op regionale ambities en persoonlijk winstbejag. Voorlopig vormen deze olieleningen geen direct probleem gezien Angola’s stijgende olieproductie en de huidige recordprijzen op de wereldoliemarkt, maar wat als deze productie en de olieprijzen in de nabije toekomst begint te dalen? Een conflict lijkt onvermijdelijk en dat zou wel eens grote gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid en stabiliteit van de gehele regio.

Universiteit of Hogeschool
Vrije Universiteit Brussel
Thesis jaar
2004