Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Deze bevat alle artikels en full text scripties van deelnemende bachelors en masters aan de Vlaamse Scriptieprijs.

De seksuele autonomie als leidinggevend principe in het nieuwe seksueel strafrecht? Een analyse van de hervormde wetgeving.

Maxime Castermans
In mijn masterproef onderzocht ik of het door de wetgever geproclameerde principe van de seksuele autonomie als basis voor de hervorming van het seksueel strafrecht ook als dusdanig neerslag vindt in de concreet ingevoerde wetteksten. Het onderzoek toont aan dat dit toch enige nuance verdient.

Whales against humanity: an overview and analysis of the international and European legal protection of Cetacea against anthropogenic threats in their natural habitat

Shauni Bernau
Onderzoek naar de internationaal- en Europeesrechtelijke bescherming van walvisachtigen (walvissen, dolfijnen en bruinvissen). Verschillende verdragen en conventies werden geanalyseerd op hun juridische sterktes en zwaktes.

Hoe staan burgers in Vlaanderen tegenover stemmen via het internet?: Een casestudie bij jonge, Vlaamse universiteitsstudenten

Loranne Janssens
Hoe staan burgers in Vlaanderen tegenover stemmen via het internet?: Een casestudie bij jonge, Vlaamse universiteitsstudenten

NATO and the CSTO in Afghanistan and Syria: a neo-realist and constructivist analysis

Senne De Kort
Dit is een neorealistische en constructivistische analyse van de NAVO en de CSTO in de oorlogen in Afghanistan en Syrië.

Wettelijk en aanvullend pensioenstelsel van werknemers in het licht van de huidige samenlevingsvormen: nood aan een hervorming?

Jill Laeveren
Deze masterscriptie handelt over de impact van de samenlevingsvormen op het Belgische wettelijk en aanvullend pensioenstelsel van werknemers. De centrale vraag in deze masterscriptie is of de bevoorrechting van gehuwden inzake de wettelijke en aanvullende pensioenen vandaag nog gerechtvaardigd kan worden, en of het niet wenselijker is om de maatschappelijke evolutie, waarbij partners steeds meer kiezen voor een wettelijke of feitelijke samenwoning, te vertalen in de Belgische werknemerspensioenen. Er wordt aldus een kritische analyse uitgevoerd aangaande de invloed van de samenlevingsvormen op de pensioenen, waarna er enkele aanbevelingen aangereikt worden ter optimalisering van het Belgische recht. Ook de Nederlandse aanpak wordt besproken teneinde hieruit inspiratie te putten ter verbetering van het Belgische recht.

Post-traumatic dysfunctional behavior and emotional distress in working dogs

Sofie Salden
Post-traumatische stress stoornis is een belangrijk psychisch gezondheidsprobleem bij de mens. Een gelijkaardige stoornis werd opgemerkt bij honden, namelijk caniene PTSS. Deze masterthesis geeft een overzicht van de literatuur met betrekking tot deze stoornis bij werkhonden.

Evaluatie van het Vlaams Woninghuurdecreet: studentenhuur

Lore Tans
Evaluatie van het Vlaams Woninghuurdecreet dat inwerking trad op 1 januari 2019. Deze scriptie gaat meer specifiek over alle regels omtrent studentenhuur en toont de praktijk aan de hand van cases vanuit de vzw Op Krot.

Qualifying the European Carbon Border Adjustment Mechanism: a preliminary but necessary step in assessing its WTO-legality

Laure Hendrickx
Deze thesis gaat over het Commissievoorstel voor een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (de EU CBAM). Meer bepaald wordt in deze thesis onderzocht of het voorstel niet in strijd is met de regels opgelegd in het kader van de Wereldhandelsorganisatie. Daarbij wordt in het bijzonder ingegaan op de vraag naar de kwalificatie van het mechanisme. Om een nauwkeurige legaliteitsbeoordeling van het voorgestelde mechanisme te voeren, moet immers eerst worden bepaald of het mechanisme een belastingmaatregel of een gewone wetgevingsmaatregel uitmaakt.

Geldt een pandemie als overmacht in het verbintenissenrecht

Caro Stuer
1. Het uitgangspunt is dat een overeenkomst die geldig wordt aangegaan, de partijen tot wet strekt. Een pandemie kan daar een voorbeeld van zijn een omstandigheid die het moeilijk of onmogelijk maakt een verbintenis na te komen. Overmacht zou ervoor kunnen zorgen dat een schuldenaar wordt bevrijd van zijn contractuele verbintenis.
2. Om na te gaan of er in de context van de coronacrisis sprake is van overmacht, dient in de eerste plaats te worden nagegaan of er sprake is van een toestand waarbij de schuldenaar kampt met een financieel onvermogen. In de meeste gevallen is dit in het kader van een handelshuurovereenkomst.
Luidt het antwoord positief, dan kan men er kort over zijn. De kans is groot dat de rechter de rechtsgrond overmacht niet zal aanvaarden. De meerderheid en de meest recente rechtspraak verwijst naar het cassatiearrest van 28 juni 2018. Het Hof van Cassatie aanvaardt namelijk niet dat financieel onvermogen een kwalificatie tot overmacht rechtvaardigt. Het Franse Hof van Cassatie aanvaardt dit evenmin.
Luidt het antwoord daarentegen negatief en is er geen sprake van een financieel onvermogen in hoofde van de schuldenaar, dan dient te worden nagegaan of aan de toepassingsvoorwaarden van overmacht is voldaan.
3. Er moet bij elke met corona verband houdende situatie geval per geval, sector per
sector, contract per contract worden nagegaan of er sprake is van overmacht.
Een schuldenaar moet zich ingevolge de coronacrisis in de onmogelijkheid bevinden de verbintenis na te komen en de contractuele fout dient ontoerekenbaar te zijn. Er is nog discussie over de vraag of het nu gaat om een absolute of een relatieve onmogelijkheid. De contractuele wanprestatie dient onvoorzienbaar en onvermijdbaar te zijn.
Indien aan de toepassingsvoorwaarden van overmacht niet voldaan is, dan is er geen sprake van overmacht. Er kan dan worden onderzocht of er beroep kan worden gedaan op de alternatieven van overmacht: de wijziging van de overeenkomst, de ontbinding, contractuele clausules of de uitvoering te goeder trouw.

4. Het eerste alternatief voor overmacht is de wijziging van de overeenkomst.
Een contract kan alleen gewijzigd of opgezegd worden mits wederzijdse toestemming van de partijen of op grond van de wet. Dit standpunt wordt gevolgd in het Franse recht en in het nieuwe Burgerlijk Wetboek.
5. Het tweede alternatief is de ontbinding van de overeenkomst. Wanneer de gedwongen uitvoering niet mogelijk is, kan er een keuze gemaakt worden tussen: de gerechtelijke ontbinding, de ontbinding op kennisgeving of het uitdrukkelijk ontbindend beding.
De ontbinding op kennisgeving werd recentelijk erkend door cassatierechtspraak en zal in het nieuwe Burgerlijke Wetboek een wettelijke grondslag krijgen. De ontbinding op kennisgeving is wellicht geïnspireerd op het Franse recht. Er dient bij een ontbinding op kennisgeving sprake te zijn van een wederkerig contract, een voldoende gekwalificeerde schending, een ingebrekestelling en een kennisgeving van de beslissing van de schuldeiser aan de andere contractspartij. Het klassieke voorbeeld van een wanprestatie is de niet-betaling van de huurgelden. Wanneer overmacht kan worden vastgesteld, zal er niet aanvaard worden dat er sprake is van een wanprestatie die de ontbinding rechtvaardigt.
6. Het derde alternatief voor overmacht zijn de contractuele clausules. Deze clausules zijn mogelijk nu het verbintenissenrecht van aanvullend recht is. Enerzijds zijn er de overmachtsclausules en anderzijds de imprevisieclausules. In zo een clausule kunnen contractspartijen bedingen welke omstandigheden in aanmerking komen als overmacht of imprevisie en wat de gevolgen zijn van deze kwalificatie op hun contract. Partijen kunnen dus zelf overeenkomen in welke mate een pandemie een impact zal hebben op hun overeenkomst.
In Frankrijk zijn contractuele clausules eveneens mogelijk.
7. Het vierde en laatste alternatief dat in deze thesis wordt voorgesteld voor overmacht, is de uitvoering te goeder trouw.
Er kunnen op grond van de aanvullende werking van de goede trouw bijkomende verbintenissen worden opgelegd aan partijen. Zo dienen de contractspartijen er zich van te onthouden de nakoming van de verbintenis door de wederpartij te bemoeilijken in de context van een pandemie. Er kan ook de verplichting worden afgeleid om bijkomende contractuele regelingen te treffen met het oog op de goede afloop van de basisovereenkomst. Ook het Franse recht en het nieuw Burgerlijk Wetboek geven deze betekenis aan de aanvullende werking van de goede trouw. Een contractspartij die zich in een situatie van overmacht bevindt, kan worden verhinderd zijn verplichtingen te goeder trouw na te komen. Vaak is een onderhandelde oplossing wel opportuun. Zo kan een betalingsuitstel, afbetalingsregeling of een prijsvermindering worden voorgesteld.
Het is bij de matigende werking en bij rechtsmisbruik aan een contractpartij verboden de haar uit de overeenkomt voortvloeiende rechten uit te oefenen op een manier die in strijd is met wat van een redelijke contractpartij mag worden verwacht. Wie in het kader van de coronacrisis de nakoming zou blijven eisen van een ingrijpend gewijzigde overeenkomst, kan zich schuldig maken aan rechtsmisbruik. De schuldenaar dienst daarnaast loyaal redelijke maatregelen te nemen die de schade van de niet-nakoming kunnen matigen of beperken. Deze redenering is in het Franse recht en het nieuw Burgerlijk Wetboek terug te vinden. Het ontbreken van een onderhandelde oplossing, zoals een betalingsuitstel, een afbetalingsregeling of een prijsvermindering, kan leiden tot rechtsmisbruik. De matigende werking staat de toepassing van de risicotheorie in geval van overmacht echter niet in de weg.
8. Imprevisie kan niet als alternatief worden gebruikt voor overmacht in het Belgische recht. Bij imprevisie is er, in tegenstelling tot bij overmacht, sprake van omstandigheden die de uitvoering van de overeenkomst bijzonder moeilijk of aanzienlijk zwaarder maken voor (één van) de partijen. De coronacrisis kan daar een voorbeeld van zijn. De imprevisieleer beoogt een heronderhandeling van de overeenkomst tussen de partijen. Noch het Burgerlijk Wetboek, noch het Hof van Cassatie en noch andere (corona)rechtspraak aanvaarden de imprevisieleer.
De bindende kracht van een overeenkomst blijft het uitgangspunt. Het Franse recht en het nieuwe Burgerlijk Wetboek aanvaarden de imprevisieleer wel.
Partijen kunnen wel steeds een contractuele imprevisieclausule opnemen. De imprevisieleer kan ook min of meer het recht binnensluipen via enerzijds de matigende werking van de goede trouw en de leer van het verbod op rechtsmisbruik en anderzijds door een soepele invulling van het overmachtsbegrip.
We hebben de imprevisieleer niet kunnen gebruiken tijdens de coronapandemie.
Mocht het nieuw Burgerlijk Wetboek al van kracht zijn geweest, had dit een grote invloed gehad op verschillende contracten en zou de rechtspraak vandaag anders luiden.
De aanvaarding van de imprevisieleer tijdens de coronacrisis had er wellicht toe geleid dat overmacht minder snel werd aanvaard.

Locked Up, Logged Off: A closer look at protection and provision of Internet access for prisoners within the ECHR framework

Felix Blommaert
Deze masterproef analyseert en bekritiseert de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake internettoegang voor gevangenen op een grondige wijze. Daarenboven trekt het werk een link tussen deze bevindingen en een gelijkaardige zaak hangende voor Belgische rechtbanken.

De gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord en de Herstructureringsrichtlijn: De controversiële invoering van een Europese Relative Priority Rule

Louis Destoop
Dit werkstuk bestudeert en beschrijft de verschillende voor- en nadelen die gepaard gaan met de relative priority rule, een regel die vanuit Europees initiatief in het nationaal recht kan worden opgenomen.

Forensische microbiologische vingerafdrukken: een moleculair hulpmiddel als toepassing in aanrandingszaken?

Jana Hiers
Deze scriptie onderzoekt het potentieel van microbioom analyse als bijkomend forensich bewijsmateriaal in zaken van seksueel geweld.

De samenvloeiing van mythologie en allegorie in het oeuvre van Anthony Van Dyck

Rebecca Gheyssens
We leven in een beeldende cultuur die voortdurend evolueert en verandert. Mythologie en allegorie maken sinds de klassieke oudheid deel uit van deze wereld. Deze masterproef heeft als doel de materie rond mythologie en allegorie te verduidelijken en een antwoord te bieden op de vraag of er een samenvloeiing van deze elementen is in de barok van de Zuidelijke Nederlanden. Om vervolgens te achterhalen hoe dit tot uiting kwam in het werk van Anthony Van Dyck.

De leeslestabel: een hulp bij het ontwerpen van lessen begrijpend lezen

Fien Vandenbussche Eline Boone Quinten De Baets Dolores Devoldere
Een onderzoek naar hoe leraren het leesbegrip bij leerlingen concreet kunnen bevorderen. Vanuit een inventarisatie van wat al dan niet werkt, ontstond een tool - een “leeslestabel” - een instrument om kwaliteitsvolle leeslessen te garanderen.

Glyfosaat en recht

Anaïs Renard
Deze masterproef beoogt twee basisvragen te beantwoorden. Ten eerste, wat is het juridisch kader rond glyfosaat? Ten tweede, zou een vordering ingesteld kunnen worden voor de milieuschade veroorzaakt door glyfosaathoudende gewasbeschermingsmiddelen?

Brengt de ideologie van de existentiële band tussen ouders en kinderen de jeugdhulp en jeugdbescherming in moeilijkheden?

Laetitia De Bruyn
De wet bepaalt dat een plaatsing van een kind alleen als laatste redmiddel en met het oog op gezinshereniging mag plaatsvinden, om de grondrechten van zowel ouders als kinderen te eerbiedigen. Het onderhouden van familiebanden is een gevestigde norm in de Belgische jeugdhulp en ligt aan de basis van ons jeugdbescherming systeem. Maar zou het hoofddoel van het werk van de jeugdbeschermers niet eerder moeten gesteld worden in functie van wat het kind in staat stelt zich goed te ontwikkelen, verre van pure ideologische verklaringen rond het belang van de familieband?

Een passende socialezekerheidsregeling voor zelfstandigen: wat is dat?

Charlotte Pauwels-Devillé
Naar aanleiding van de Aanbeveling Toegang Sociale Bescherming van 8 november 2019, werd de sociale zekerheid voor zelfstandigen onder de loep genomen. Er werd onderzocht wat men verstaat onder een "passende" bescherming en of het Sociaal Statuut der Zelfstandigen hieraan voldoet.

Vraagstukken rond privacy: de zoektocht naar een wettelijk kader voor het gebruik van live facial recognition door de geïntegreerde politie in België

Lotte De Graeve
Enkele problematieken lijken de zoektocht naar een wettelijk kader rond live facial recognition te belemmeren. Deze masterproef onderzoekt wat deze inhouden en formuleert enkele vraagstukken die cruciaal lijken opdat de proportionaliteit en wenselijkheid van de technologie kan worden beoordeeld.

ANALYSE EN EVALUATIE VAN DE WIJZIGINGEN AANGEBRACHT AAN HET FISCAAL STRAFRECHT DOOR DE WET VAN 5 MEI 2019 EN HET KB VAN 9 FEBRUARI 2020

Justine Hendrickx
Deze masterproef analyseert en evalueert de wijzigingen door de wet van 5 mei 2019 en het Koninklijk Besluit van 9 februari 2020 in het licht van de door de wetgever opgestelde doelstellingen. Meer bepaald worden de eerste drie wijzigingen (una via-overleg, strategisch overleg en meldingsplicht van de procureur des Konings) in detail behandeld. Er wordt summier ingegaan op de nieuwe rol van de strafrechter.

Het canon van Theseus' schip - Hoe canonieke literatuur kan bijdragen tot de identiteitsvorming van jongeren.

Robrecht Neyrinck
Onderzoek naar de bruikbaarheid van klassieke werken uit zowel de Nederlandse als uit de wereldliteratuur ter bevordering van de identiteitsvorming van jongeren.

Een criminele kamer ter vervanging van een hof van assisen: tussen ambitie en traditie

Emilie Hermans
Het hof van assisen is een instelling die sinds oudsher uitwerking kent in het Belgische rechtssysteem en de hervorming ervan is een gegeven dat al gedurende ruime tijd de politieke gemoederen verhit. Eén van de meest recente voorstellen is het initiatief van voormalig minister van Justitie Koen Geens om het huidige hof van assisen te vervangen door criminele kamers. Mijn masterthesis tracht een ontwerptekening te maken van hoe dergelijke criminele kamers vormgegeven kunnen worden, rekening houdend met specifieke kenmerken alsook waarborgen die de huidige assisenprocedure kentekenen.

De geestesstoornis als grond van ontoerekeningsvatbaarheid: een analyse en rechtsvergelijkend onderzoek

Romanie De Pelsemaeker
Over het complexe ontoerekeningsvatbaarheidsbegrip en de moeilijke wisselwerking tussen twee centrale wetsbepalingen in deze discussie. Over de juridische lacune waar gedeeltelijk of verminderd toerekeningsvatbaren in terechtkomen. En over de vraag of Frankrijk een inspiratiebron kan bieden voor een nieuw en beter systeem inzake toerekeningsvatbaarheid.

OPLEIDINGEN VOOR JEUGDADVOCATEN IN VLAANDEREN: EEN OPTIE OF EEN VEREISTE OM MINDERJARIGE DELINQUENTEN BIJ TE STAAN

Lisa Vercruysse
Deze studie reflecteert kritisch over de opleiding van jeugdrechtadvocaten in Vlaanderen als antwoord op de behoefte voor de bescherming van de rechtspositie van de jeugddelinquent. Opleidingen voor advocaten van minderjarigen blijken noodzakelijk omdat het bijstaan van jeugddelinquenten specialisatie vereist in alle invalshoeken van het jeugdrecht. Desondanks er opleidingen bestaan, tonen de resultaten aan dat er nog ruimte is voor verbetering.

ISIL terrorists and the use of social media platforms. Are offensive and proactive cyber-attacks the solution to the online presence of ISIL?

Océane Dieu
De huidige samenwerking tussen private sociale media platformen en de overheid om terroristische propaganda neer te halen is onvoldoende. Kan de Belgische overheid door middel van offensieve cyberaanvallen de online aanwezigheid van de Islamitische Staat verminderen?

Eenheid in verscheidenheid: Een vergelijkend onderzoek van Belgische en Britse rechtspraak inzake wapenuitvoer naar Saoedi-Arabië

Elias Viaene
In deze masterproef worden twee onderzoeksvragen beantwoord aan de hand van de functionele rechtsvergelijkende methode. Enerzijds wordt er onderzocht op welke manier de Belgische en Britse rechtspraak inzake wapenuitvoer naar Saoedi-Arabië kan worden beschreven, en anderzijds op welke manier deze rechtspraak kan worden vergeleken. De relevantie van deze onderzoeksvragen kan vanuit juridisch standpunt onderschreven worden door inhoudelijke en pragmatische lacunes in de rechtsleer, en vanuit maatschappelijk standpunt kan er een bijdrage geargumenteerd worden aan een verantwoordelijk wapenuitvoerbeleid. De conclusie van deze masterproef is vierledig, en bestaat uit twee globale conclusies en twee conclusies ter beantwoording van de onderzoeksvragen. Een eerste globale conclusie is dat de rechtspraak inzake wapenuitvoer naar Saoedi-Arabië opvallend onderbelicht blijft in de rechtsleer. Ten tweede kan er een incrementele regelgevende en bindende tendens worden waargenomen in de internationale en Europese regelgeving inzake wapenhandel, hoewel de tweespalt in Europees wapenuitvoerbeleid naar Saoedi-Arabië illustreert dat soevereiniteit (gemotiveerd door economische en geostrategische belangen) nog steeds primeert in deze juridische context. Ter beantwoording van de eerste onderzoeksvraag kan er besloten worden dat de Belgische en Britse rechtspraak best beschreven wordt als gekenmerkt door drie incrementele tendensen: receptief, (beperkt) publiek, en humanitair. Daarmee wordt bedoeld dat respectievelijk de ontvankelijkheid incrementeel receptief werd beoordeeld, de vertrouwelijkheid van de vergunningsdossiers benaderd werd met een beperkte publieke tendens, en de beoordelingen ten gronde gekenmerkt worden door een incrementele humanitaire tendens in verwijzing naar het internationaal humanitair recht. Ter beantwoording van de tweede onderzoeksvraag kan besloten worden dat er sprake is van eenheid in verscheidenheid wanneer de Belgische en Britse rechtspraak in vergelijkend perspectief wordt geplaatst. De eenheid blijkt uit de gelijkenissen die voortkomen uit de vergelijking, zoals de vergelijkbare receptieve tendens en de gelijkende mate waarin het internationaal humanitair recht een struikelblok vormde voor de wapenuitvoer naar Saoedi-Arabië, en de verscheidenheid wordt ingebed door de verschillen in de rechtspraak die maken dat de gelijkenissen niet absoluut zijn. Voorbeelden daarvan zijn de verschillende mate waarin de vertrouwelijkheid van de vergunningsdossiers werd gehandhaafd en het onderscheid in de visies betreffende de bindende kracht van Europese regelgeving inzake wapenhandel. De masterproef wordt besloten met enkele vooruitblikken op toekomstige gerechtelijke procedures evenals enkele juridische en beleidsmatige aanbevelingen. Op juridisch vlak wordt aandacht voor dit thema in de rechtsleer aangemoedigd, en beleidsmatig wordt er onder meer gepleit voor minder ambiguïteit in de regelgeving betreffende wapenhandel.