Banner Scriptiebank Apenstreken 789x90

Radiographic analysis of alveolar sockets for human dental identification

Lotte Buzon
Tanden spelen een sleutelrol bij de identificatie van lichamen. Ze kunnen echter door het fenomeen postmortem tandverlies verloren gaan en zo het identificatieproces bemoeilijken. Er blijft echter een holte achter in het bot, waar de wortel heeft gezeten. Is er voldoende variatie in vorm van deze holtes om bij te dragen tot een positieve identificatie?

Identificatie bij tandverlies

Wie geregeld naar misdaadseries kijkt, weet maar al te goed wat voor belangrijke rol gebitsgegevens spelen in de identificatie van slachtoffers. Maar heeft uiteraard ook wel eens gezien dat criminelen de tanden van hun slachtoffer trekken om de identificatie te bemoeilijken. Maar is al de informatie van deze getrokken tanden nu effectief verloren?

Forensische tandheelkunde

De grootste taak van de forensische tandheelkunde is het identificeren van lichamen, bv. bij massarampen. Tanden spelen namelijk een sleutelrol in de identificatie van lichamen. Ze bestaan uit het hardste materiaal van het menselijke lichaam, waardoor ze heel weerstandig zijn tegen beschadiging en ontbinding. Maar ze zijn ook even uniek als een vingerafdruk en worden dan ook nog eens unieker door tandheelkundige behandelingen. In de forensische tandheelkunde worden ante mortem gegevens uit een tandheelkundig dossier vergeleken met de postmortem gegevens die verzameld worden van het gevonden lichaam. Op deze manier proberen forensische tandartsen tot een positieve identificatie te komen of juist uitsluitsel te bieden.

 

Postmortem tandverlies

Dit identificatieproces kan echter bemoeilijkt worden door een fenomeen dat postmortem tandverlies (PMTV) heet. Dit komt voor wanneer de vezels, die de tanden in het bot verankeren, ontbinden. Hierdoor kunnen de tanden los komen te zitten in het bot en bijgevolg uitvallen en dus verloren gaan. Niet alle tanden zijn even gevoelig voor PMTV. Snijtanden met rechte ronde wortels gaan veel sneller verloren, dan bv. kiezen met een complexe meer-wortelige structuur die van nature retentie geeft. Het grootste gevolg van PMTV, is het verlies van informatie die essentieel kan zijn in het identificatieproces. Maar de wortels van deze verloren gegane gebitselementen laten holtes achter in het bot, die met behulp van radiografieën gevisualiseerd kunnen worden. Is de vorm van een tandwortel uniek genoeg om te kunnen bijdragen in het identificatieproces?

 

Onderzoek

Om de variëteit van de tandwortels te onderzoeken werden 100 panoramische radiografieën verzameld, 50 waren afkomstig van vrouwen en 50 van mannen. Dit zijn radiografieën waar de volledige dentitie op is afgebeeld. Acht tanden per radiografie werden onderzocht: een snijtand, een hoektand, een kleine kies (=premolaar) en een kies (=molaar) en dit in zowel boven- als onderkaak. De wortels van deze tanden werden, met behulp van een fotoshopprogramma en volgens een strikt protocol, nagetrokken (afb. 1). Resultaat: een 2D representatie van de wortels. Op deze tracings van de wortels werden vervolgens een reeks metingen uitgevoerd. Daarna werden de tracings onderling op elkaar geplaatst en een zo groot mogelijke overlap berekend.

 

Resultaten

Wanneer al de metingen van een tracing van de 1-wortelige tandelement, bv. de snijtand, vergeleken werden met deze van de metingen van de andere snijtanden, zagen we dat slechts zo’n 2% vergelijkbare meetresultaten vertoonde. Wanneer de maximale overlap van deze, volgens de metingen vergelijkbare tracings, dan berekend werd, lag deze gemiddeld rond de 93%. Concreet betekend dit, dat wanneer in een forensische case ante mortem en postmortem gegevens vergeleken worden, er slechts een kleine kans is, nl. ongeveer 2%, dat de metingen vergelijkbaar zijn. Maar wanneer ze vergelijkbaar zijn, is er een grote kans voor een positieve match. Voor de meer-wortelige elementen, nl. de molaren, liggen de gegevens iets anders. De kans voor vergelijkbare metingen ligt onder de 1% en het percentage van overlap rond de 87%. Dus door hun complexe wortelstructuur is de kans voor vergelijkbare metingen zeer laag. Maar eens de metingen vergelijkbaar zijn, blijft de kans op een positieve match hoog.

 

Verder onderzoek

Theoretisch gezien laten verloren tanden dus nog voldoende informatie achter om te kunnen bijdragen in het identificatie proces. Dit is echter wanneer de metingen worden verricht op panoramische radiografieën. In de tandheelkundige praktijk, worden meestal kleinere radiografieën gemaakt waar slechts enkele tanden op worden afgebeeld. Verder onderzoek zal dus moeten uitwijzen of deze methode ook toegepast kan worden op dit soort beeldvorming.

 

Conclusie

Ondanks dat een tand verloren is gegaan, of door ontbinding van de vezels of door extractie na overlijden, laat hij toch nog veel informatie achter die het potentieel heeft om bij te dragen tot de identificatie van het lichaam. Wanneer deze methode wordt toegepast in een forensische case met PMTV zullen we pas de echte waarde hiervan ontdekken.

Bibliografie

1. American board of forensic odontology. (1994). Body identification guidelines. Journal of the American Dental Association, 125, 1244-1254

2. S.A.Sholl, G.H. Moody. (2000). Evaluation of dental radiographic identification: an experimental study. Forensic science International, 115, p. 165-169

3. R.N. Oliveira et al.. (2001). Postmortem tooth loss in human identification processes. The Journal of Forensic Odonto-stomatology, 18, p. 32-36

4. R.C. Janaway. (2009) Decomposition of human remains. In: S.L. Percival. Microbiology and Aging: Clinical Manifestations, p. 313-334

5. R. Farina, L. Trombelli. (2012). Wound healing of extraction sockets. Endodontic Topics, 25, p. 16-43

6. V.J. Kingsmill. (1999). Post-extraction remodeling of the adult mandible. Critical reviews in oral biology and medicine, 10, p. 384-404

7. H. Brkic, et al. (2004). Dental evidence of exhumed human remains from the 1991 war in Croatia. Collegium antropologicum, 28, p. 259-266

8. S.I. Kvaal. (2006). Collection of postmortem data: DVI protocols and quality assurance. Forensic Science International, 159, p. S12-S14

9. M. Duric, et al. (2004). Factors affecting postmortem tooth loss. Journal of Forensic Sciences, 49, 1313-8

10. A.H. McKeown, J.L. Bennett. (1995). A preliminary investigation of postmortem tooth loss. Journal of Forensic Sciences, 40, 755-7

11. B. Smith. (1992). Reconstruction of root morphology in skeletonized remains with postmortem dental loss. Journal of Forensic Sciences, 37, p. 176-184

12.C.A. Law, C.M. Bowers. (1996). Radiographic reconstruction of root morphology in skeletonized remains: a case study. Journal of Forensic Sciences, 41, p. 514-517

13. B.R. Chandra Shekar, C. Reddy. (2009). Role of dentist in person identification. Indian Journal of Dental Research, 20, p. 356-360

14. S.L. Avon. (2004). Forensic Odontology: The roles and responsibilities of the dentist. Journal Canadian Dental Association, 70, p. 453-8

15. A. Diericks, M. Seyler, E. de Valck, J. Wijffels, G. Willems. (2006). Dental records: a Belgium study. The journal of forensic odonto-stomatology, 24, p. 22-31

16. A.R. Al-Azri, et al. (2016). Awareness of forensic odontology among dentists in Australia: are they keeping forensically valuable dental records? Australian Dental Journal, 61, p. 102-108

17. R.S. Gambhir, et al. (2016). Knowledge and awareness of forensic odontology among dentists in India: A systematic review. Journal of Forensic Dental Sciences, 8, p. 2-6

Universiteit of Hogeschool
Master in de tandheelkunde
Publicatiejaar
2017
Promotor
Prof. Dr. Patrick Thevissen
Kernwoorden
Lotte Buzon