Metonymie en metafoor als categorisatieprincipes voor de socioculturele werkelijkheid

Lisbeth De Laet
De scriptie voert onderzoek naar de manier waarop taalgebruikers de veranderende werkelijkheid waarnemen en welke denkpatronen ze toepassen om die tot uiting te brengen.

Metonymie en metafoor als categorisatieprincipes voor de socioculturele werkelijkheid

Deze paper onderzoekt hoe metonymie en metafoor de socioculturele werkelijkheid categoriseren. Taalgebruikers zetten de twee mechanismen in om de wereld om zich heen te conceptualiseren en onder woorden te brengen. Dat betekent dat verandering in die leefwereld ook een verandering in de categorisatie kan veroorzaken. Zo wijst Glebkin (2014,2015a, 2015b) op het verband tussen metafoor en metonymie en de maatschappelijke ontwikkeling. Hij meent dat verschillende cognitieve processen de verschillende samenlevingen markeren (Glebkin 2015a, Lévy-Bruhl 1978, 1979). Hun leden categoriseren hun omgeving dan ook op een verschillende manier.

Meer specifiek deelt hij het continuüm van de maatschappelijke evolutie op in vier niveaus. Het laagste niveau staat in het teken van het individu, (het 'ik'-niveau). Wanneer de eerste kleinschalige samenlevingen ontstaan, past de mens complex denken toe. Hij benadert de wereld vanuit zijn onmiddellijke ervaring ermee. Zo'n concrete relatie tot de werkelijkheid vertaalt zich in concrete concepten die zich lenen tot metonymie. Ook samenlevingen op niveau drie spitsen zich toe op de concrete werkelijkheid. Maar omdat hun omvang verder toeneemt, hebben ze nood aan meer algemene en abstracte regels. Zo ontstaan de eerste theoretische culturen. Door hun focus op de onmiddellijke leefomgeving en het praktische nut van de nieuwe concepten, blijft hun categorisatie beperkt tot complex denken. Daarom blijft ook metonymie van kracht. Dat alleenrecht vervalt bij de grootschalige samenlevingen op niveau vier. Zij kenmerken zich door reflectie en introspectie die zich losscheurt van de concrete, dagdagelijkse werkelijkheid. Daardoor ontstaan nieuwe, abstracte concepten die metonymie niet meer kan vatten. Metafoor, daarentegen, maakt de abstracte concepten meer behapbaar door ze te vergelijken met gekende noties zonder te beroepen op een concreet verband tussen beide. Concrete concepten die op niveau vier ontstaan, kunnen wel nog berusten op metonymie (Glebkin 2015a, 2014).

De onderzoekshypothese gaat er dus van uit dat de eerste drie samenlevingen complex denken. Daarom lexicaliseert metonymie hun (meer) concrete concepten. Samenlevingen op niveau vier vullen dat cognitieve proces aan met conceptueel denken. Ze kennen daardoor niet alleen concrete concepten, maar ook abstracte concepten. Die eerste beroepen op metonymie, de tweede op metafoor. Om na te gaan of de taakverdeling tussen beide correleert met het concept en de socioculturele evolutie, onderzoekt de paper hoe de Indo-Europese taalfamilies de mechanismen toepassen om hun concepten uit te drukken. De verschillende taalfamilies weerspiegelen immers een eigen maatschappelijke evolutie. Dat geldt ook voor de onderzochte talen binnen elke familie.

Uit het onderzoek blijkt echter dat metafoor op alle samenlevingsniveaus meer en minder concrete concepten kan uitdrukken. Bovendien passen alle concepten (deels) metonymie toe. Glebkins (2014, 2015a, 2015b) veronderstelling dat conceptueel denken en metafoor pas op niveau vier volledig tot ontwikkeling komen, kan dus niet stand houden. Desalniettemin motiveert de aard van het concept wel de mate waarin beide mechanismen voorkomen. Het is dus wel degelijk mogelijk dat er een verband bestaat tussen metonymie en complex denken en tussen metafoor en abstract denken. Bovendien bevestigt hun taakverdeling in de Indo-Europese talen dat de socioculturele evolutie de keuze tussen metonymie en metafoor beïnvloedt.

 

  • Glebkin, V.V. (2014). Cultural-historical Psychology and the Cognitive View of Metonymy and Metaphor. Review of Cognitive Linguistics 12(2): 288-303. John Benjamins Publishing Company, geraadpleegd via Limo.

  • Glebkin, V.V. (2015a). The problem of Cultural-Historical Typology from the Four-Level-Cognitive-Development Theory Persective. Journal of Cross-Cultural Psychology. 46.8: 1010-1022, geraadpleegd via Limo.

  • Glebkin, V.V. (2015b). Is conceptual blending the key to the mystery of human evolution and cognition?
    Cognitive Linguistics 26(1): 95-111.

  • Lévy-Bruhl, L. (1979). How Natives Think. New York: Arno Press.

Bibliografie
  • Glebkin, V.V. (2014). Cultural-historical Psychology and the Cognitive View of Metonymy and Metaphor. Review of Cognitive Linguistics 12(2): 288-303. John Benjamins Publishing Company, geraadpleegd via Limo.

  • Glebkin, V.V. (2015a). The problem of Cultural-Historical Typology from the Four-Level-Cognitive-Development Theory Persective. Journal of Cross-Cultural Psychology. 46.8: 1010-1022, geraadpleegd via Limo.

  • Glebkin, V.V. (2015b). Is conceptual blending the key to the mystery of human evolution and cognition?
    Cognitive Linguistics 26(1): 95-111.

  • Lévy-Bruhl, L. (1979). How Natives Think. New York: Arno Press.

Universiteit of Hogeschool
Diachrone Taalkunde
Publicatiejaar
2017
Promotor(en)
Dirk Geeraerts
Kernwoorden
Deel deze scriptie