Kussen uit Brugge - De Basia van Janus Lernutius (1545-1619): Inleiding, editie, literaire vertaling en bespreking

TOM INGELBRECHT
Deze scriptie is een introductie tot de Neolatijnse zoengedichten van een lang vergeten Brugse dichter: Janus Lernutius, met een inleiding bij het genre van het zoengedicht, een ontstaansgeschiedenis van Lernutius' Basia, een teksteditie, een literaire vertaling in verzen en een bespreking.

Kussen uit Brugge - de Zoenen van Janus Lernutius (1545-1619)

Kussen uit Brugge - de Zoenen van Janus Lernutius (1545-1619)

 

Geef me duizend zoenen en daarna nog eens honderd,

een tweede duizend zoenen en daarna een tweede honderd,

en nog eens duizend zoenen en daarna nog eens honderd.

Wie kent ze niet, deze beroemde verzen van de Latijnse liefdesdichter Catullus uit de eerste eeuw v.C.? Veel minder bekend is dat ruim anderhalf millennium later de Europese poëzie helemaal in de ban was van zoengedichten en overspoeld werd door Basia, Baisers, Baci, Kisses en Kuskens. Meer nog: het waren in het bijzonder dichters uit de Lage Landen die het voortouw namen bij deze dichterlijke hype. Veel van onze Neolatijnse zoenendichters zijn heden ten dage vergeten of slechts bekend bij een handvol experten. De zinderende Zoenen van de Bruggeling Janus Lernutius verdienen het echter ook vandaag nog te worden gelezen. Daarom halen we ze na meer dan vierhonderd jaar van onder het stof en geven ze een sprankelende vertaling.

 

Zoenen uit het Zuiden ...

Vind je de antieke Griekse en Latijnse literatuur een verzameling duffe teksten voor bejaarde specialisten? Dan heb je vast niet goed gekeken: de Griekse en Latijnse oudheid loopt zwanger van verrassende verzen die -in een frisse vertaling- ook voor een hedendaagse lezer nog prikkelend of pakkend kunnen zijn. De Grieken kenden in hun liefdesverzen alvast geen gêne: hun epigrammen blaken van zwoele erotiek en beschrijven een brede waaier aan sensuele zoenen: natte, droge, korte, lange, warme of koude zoenen, zoenen die smaken als honing, kaneel, nectar of ambrozijn, zoenen die je via een drinkbeker naar je liefje stuurt of die de ziel uit je lichaam zuigen – allemaal passeren ze de revue. Ook de Romeinen kenden er wat van: Catullus verkiest zijn zoenen in ontelbare hoeveelheden, Martialis steelt graag eens een kusje links of rechts en bij tal van andere Latijnse dichters wordt er bij het zoenen hitsig geknabbeld en gesabbeld. Tijdens de zedige middeleeuwen gaat het kusgedicht grotendeels ondergronds, maar in de vijftiende eeuw worden de verzen van Catullus in Italië herontdekt en al snel ontstaan er allerlei imitaties en adaptaties, in diverse stijlen en registers, van preuts tot pornografisch.

 

Zoenen uit het Noorden ...

Na enkele decennia steekt de Neolatijnse erotische poëzie nu ook de Alpen over, om er terecht te komen in Frankrijk en de Lage Landen. Voor de doorbraak van het Neolatijnse liefdesgedicht is het bij ons wachten op de briljante Nederlander Janus Secundus: door het sprankelende taalgebruik, het rijke palet aan tonen en de virtuoze verspatronen hoort Secundus’ werk tot het mooiste wat de Latijnse poëzie ooit heeft voortgebracht. Het hoogtepunt in zijn oeuvre is een cyclus van negentien zoengedichten waarmee hij de topos van de liefdeszoen tot een quasi autonoom genre omvormde. De impact van Secundus’ Basia (1539) was immens. In de volgende decennia verschenen overal in Europa niet alleen honderden bewerkingen, vertalingen en imitaties van losse gedichten, maar zelfs integrale nieuwe collecties Latijnse zoengedichten. Hoewel zowel Fransen (zoals de Pléiadedichters), Britten en Duitsers hier aanzienlijke bijdragen leverden, zou de Basia-cultus zijn echte hoogtepunt bereiken in de Lage Landen. Een van onze meest vooraanstaande zoenpoëten was Janus Lernutius.

 

De Basia van Janus Lernutius

Janus Lernutius werd in 1545 geboren in Brugge. Zijn rijke afkomst maakte het hem mogelijk te studeren in Leuven en Parijs, waar hij als jongeman tussen het kruim van de toenmalige geleerdenwereld bedwelmd raakte door de liefdespoëzie van de Griekse epigrammen, Catullus en Secundus. Met enkele medestudenten, onder wie de Leidenaar Janus Dousa, sloot hij er een levenslange literaire vriendschap, die de voedingsbodem werd van gemeenschappelijke projecten en onderlinge dichterlijke competitie. Een vroeg resultaat hiervan, de Ocelli (‘Oogjes’), bezorgde Lernutius beroemdheid en zelfs een adellijke titel. Ook toen het belegerde Brugge door hongersnood en epidemieën werd geteisterd bleef Lernutius verder dichten, maar na een jarenlange gevangenschap bleef er van de briljante liefdesdichter niet veel over: de decennia die volgden leverde hij vooral religieus en gelegenheidsdichtwerk. Pas in 1614 verschenen in zijn ‘verzameld werk’ eindelijk ook zijn Basia, zoengedichten die intussen meer dan dertig jaar op de planken waren blijven liggen.

 

Van Basia naar Zoenen

Aan de hand van een manuscript en een oude druk met nota’s van de auteur kan de ‘ideale’ tekst van Lernutius’ Basia nu worden gereconstrueerd. Het gaat om een collectie van dertig zoengedichten, in lengte variërend van vier tot vierenvijftig verzen met een grote diversiteit in klank en toonaard, van ernstig en erudiet tot speels en ironisch. Bij onze vertaling kozen we voor vormvastheid én variatie: we vertaalden de gedichten in lichtvoetige jambische verzen, maar wel in een afwisseling van drie-, vier-, zes- of zevenvoeters. Basium XI werd bijvoorbeeld gegoten in dartele viervoeters, opgedeeld in strofen en bijgekleurd met rijmeffecten en wat woordspel op het einde:

 

O, jij die zonder modderspoor

langs glibberige stenen glipt

en als gewijde waterbron

een stroom kristallen water stort:

 

misschien is in jouw watervloed

ook jou het beruchte kind bekend,

dat zelfs in volle oceaan

de god Neptunus zelf verzengt,

 

of Jupiter al zoveel keer

van het sterrenzwerk heeft weggeplukt

en maakte dat de godheid zich

vermomde in een verenkleed.

 

Kijk: in jouw klare watervlak

wast nu mijn lief haar fraai gezicht,

wend dus je waterstroom nu weg,

verlaat je bron met volle kracht.

 

Nu lacht het geluk jou volop toe

en vallen zoenen jou te beurt:

want voor zo’n zoenen waagt een god

zelfs tochten over de oceaan.

 

Zo is het klaar dat jouw geluk

Alpheus vloeiend overwon,

want jou valt zomaar in de schoot

waarvoor hij oeverloos ver zwom.

 

Janus Lernutius stierf in 1619 en hoewel hij door zijn tijdgenoten de ‘prins der dichters’ werd genoemd en in de Sint-Salvatorskathedraal van Brugge een statig grafmonument kreeg, is hij door zijn hedendaagse landgenoten zo goed als vergeten - Lernutius’ poëzie was nu eenmaal bestemd voor een select publiek van belezen fijnproevers. Maar toch: mits enige duiding bij de literaire achtergrond, de soms gezochte verwijzingen en het knappe intertekstuele spel, kunnen de Zoenen van Lernutius ook vandaag nog worden gesmaakt, net als die befaamde "duizend zoenen" van zijn Romeinse voorganger Catullus.

 

 

 

Bibliografie

 

 

Naslagwerken & afkortingen

 

 

CT

 

 

Graves

 

KP

 

 

L&S

 

LSJ

 

 

 

OCD

 

 

RE

 

 

 

Grafton A., Most G.W. & Settis, S. 2010. The Classical Tradition, Cambridge & London.

 

Graves, R. 1993. Griekse mythen, Houten.

 

Ziegler, K. & Sontheimer, W. 1964-1975. Der kleine Pauly. Lexikon der Antike, Stuttgart & München.

 

Lewis, Ch. & Short, Ch. 1891. A Latin Dictionary, Oxford.

 

Liddell, H. & Scott, R. 1996. A Greek-English Lexicon. Revised and Augmented throughout by sir Henry Stuart Jones with the assistance of Roderick Mc Kenzie, with a revised supplement, Oxford.

 

Hornblower, S. & Spawforth, A. 1996. The Oxford Classical Dictionary, Oxford & New York.

 

Wissowa, G. 1893-1980. Paulys Realencyclopädie der classischen Altertumswissenschaft, Stuttgart & München.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Primaire bronnen

 

 

A

Allen, P. & Allen, H. 1926. Opus epistolarum Desiderii Erasmi Roterodami, vol. VI, Oxford.

 

B

Basile, B. 1994. Rime di Torquato Tasso, Roma.

Bing, P. & Höschele, R. 2014. Aristaenetus. Erotic Letters, Atlanta.

Blyenburgh, D. 1600. Veneres Blyendurgicae, sive Amorum hortus, Dordrecht.

Blyenburgh, D. 1613. Apicula Batava, Dordrecht.

Bloemendal, J. 2004. Janus Lernutius (1545-1619). Ocelli (Oogjes). Een kleine bloemlezing, Amersfoort.

Buchanan, 1628. Georgii Buchanani Scoti Poemata quae extant, Leiden.

Buyse, K. 2001. Janus Secundus. Basia, Leuven.

 

C

Chamard, H. 1923. Joachim du Bellay. Oeuvres poétiques, Paris.

Chatfield, M. 2008. Cristoforo Landino. Poems, Cambridge & London.

Claes, P. 1997. De Griekse liefde. Honderd vijftig epigrammen, Antwerpen.

Claes, P. 2017. Catullus. Lesbia. Verzen van liefde en spot, Amsterdam.

 

D

De Harduijn, J. 1613. De vveerliicke liefde tot Roose-Mond, Antwerpen.

Dennis, R.G. 2006. Giovanni Gioviano Pontano. Baiae, Cambridge & London.

de Vos, M. 2015. Alles is Eros. Hellenistische poëzie over liefde en leven en het idyllisch landschap, Eindhoven.

Dousa, J. 1569. Epigrammatum lib. II. Satyrae II. Elegorum lib. I. Silvarum lib. II, Antwerpen.

Dousa, J. 1576. Novorum poematum secunda Lugdunensis editio, Leiden.

Dousa, J. 1581. Praecidanea Pro Q. Valerio Catullo, Antwerpen.

Dousa, J.F. 1591. Rerum Caelestium liber primus, Leiden.

Dousa, J.F. 1607. Poemata: olim a patre collecta; nunc ab amicis edita, Leiden.

Dousa, J. 1609. Poemata pleraque selecta, Leiden.

 

E

Ellinger, G. 1899a. Ioannes Nicolai Secundus, Basia. Mit einer Auswahl aus den Vorbildern und Nachahmern, Berlin.

Ellinger, G. 1933. Geschichte der neulateinischen Lyrik in den Niederlanden vom Ausgang des fünfzehnten bis zum Beginn des siebzehnten Jahrhunderts, Berlin/Leipzig.

Endres, C. 1981. Janus Secundus. The Latin Love Elegy in the Renaissance, Hamden.

 

F

Fantazzi, C. 2012. Michael Marullus. Poems, Cambridge.

Forbergius, F.C., 1824. Antonii Panormitae Hermaphroditus, Coburgi.

Frotscher, C.-H. 1971. Marc-Antoine Muret. Opera Omnia, Genève.

Fruterius, L. 1584. Lucae Fruterii Brugensis Librorum qui recuperari potuerunt Reliquiae … Omnia nunc primum edita, cura Iani Dousae a Nortwyck, Antwerpen.

 

G

Gherus, R. (=Janus Gruterus) 1614. Delitiae C poetarum Belgicorum huius superiorisque aevi illustrium, vol. III, Frankfurt.

Gruterus, J. 1587. Pericula, Heidelberg.

Guépin, J.P. 1991. De kunst van Janus Secundus. De ‘kussen’ en andere gedichten, Amsterdam.

Guépin, J.P. 1997. Janus Secundus. De kunst van het zoenen. De “Kussen” en andere liefdesgedichten, Utrecht.

Guépin, J.P. 2000. De drie dichtende broers Grudius, Marius en Secundus in brieven, reisverslagen en gedichten I & II, Groningen.

Guillot, R. 2005. Jean Second. Oeuvres Complètes. Tome I. Basiorum liber et Odarum liber, Paris.

 

H

Haakman, A. 2000. Baldassar Castiglione. Het boek van de hoveling, Amsterdam.

Hall, J.B. 1985. Claudian. Carmina, Leipzig.

Heesakkers, C. 2000. Een netwerk aan de basis van de Leidse universiteit, Leiden.

Heesakkers, C. 2009. Het Vruntbuuc van Jan van Hout. Facsimile-uitgave van het album amicorum van Jan van Hout, Leiden.

 

I

ILE I = Iusti Lipsi Epistolae, pars I: 1564-1583, ed. A. GERLO – M.A. NAUWELAERTS, H.D.L.

VERVLIET, Brussel 1978.

ILE II = Iusti Lipsi Epistolae, pars II: 1584-1587, ed. M.A. NAUWELAERTS – S. SUE, Brussel 1983.

ILE III = Iusti Lipsi Epistolae, pars III: 1588-1590, ed. S. SUE – H. PEETERS, Brussel 1987.

ILE IV = Iusti Lipsi Epistolae, pars IV: 1591, ed. S. SUE – recogn. J. DE LANDTSHEER, Brussel 2012.

ILE V = Iusti Lipsi Epistolae, pars V: 1592, ed. J. DE LANDTSHEER – J. KLUYSKENS, Brussel 1991.

ILE VI = Iusti Lipsi Epistolae, pars VI: 1593, ed. J. DE LANDTSHEER, Brussel 1994.

ILE VII = Iusti Lipsi Epistolae, pars VII: 1594, ed. J. DE LANDTSHEER, Brussel 1997.

ILE VIII = Iusti Lipsi Epistolae, pars VIII: 1595, ed. J. DE LANDTSHEER, Brussel 2004.

ILE XIII = Iusti Lipsi Epistolae, pars XIII: 1600, ed. J. PAPY, Brussel 2000.

ILE XIV = Iusti Lipsi Epistolae, pars XIV: 1601, ed. J. DE LANDTSHEER, Brussel 2006.

 

K

Kühlmann, W. e.a. (eds.) 1997. Humanistische Lyrik des 16. Jahrhunderts, Frankfurt am Main.

 

L

Laurens, P. (ed.) 1975. Musae reduces: Anthologie de la poésie latine dans l’Europe de la Renaissance (The Return of the Muses: An Anthology of Latin Poetry in Renaissance Europe). 2 vols., Leiden.

Laurens, P. (ed.) 2004. Anthologie de la poésie lyrique latine de la Renaissance (An Anthology of Latin Lyric Poetry of the Renaissance), Paris.

Lee, G. 2008. Catullus. The Complete Poems, Oxford.

Lernutius, J. 1579. Carmina. Quorum seriem pagina proxima indicabit, Antwerpen.

Lernutius, J. 1584. Manes Catulli, sive ad omnia eiusdem Catulli Epigrammata Parodiae, handschrift, gedeeltelijk door Victor Giselinus (Brussel, Kon. Bibl., II.2365), uitgegeven in Van Crombruggen 1955, pag. 143-192.

Lernutius, J. 1602. Idyllium, Filio Dei, & Divae Virgini sacrum. Item Ludovici Lauti Presbyteri Ode, quam versu Flandrico donavit Nobilis ac Eruditus Vir Theod. Liefveltius. Ad Reverendissimum Dominum Carolum-Philippum Rodovanium, Berlegemium, Middelburgi Episcopum, Enaniae Abbatem, Leuven.

Lernutius, J. 1603. Poematum Iani Lernutii, Iani Guilelmi, Valentis Acidalii Nova Editio, Liegnitz.

Lernutius, J. 1604. Encomiastica ordinibus Flandriae universim et singillatim consecrata, Brugge.

Lernutius, J. 1607a. Epinicia, Honori et Virtuti Ducis Ambros. Spinulae dicata: Etiam adversantium nonnullorum Pallori et Invidiae, Antwerpen.

Lernutius, J. 1607b. Epicedia, sive Funus Lipsianum Immortalitati sacr., Antwerpen.

Lernutius, J. 1614. Initia, Basia, Ocelli, et alia Poëmata. Quorum seriem pagina proxima indicabit. Ab ipso auctore publicata, Leiden.

Lernutius, J. 1621. De Natura, et Cultu Karoli I. Comitis Flandri, nec non de caede ipsius et vindicta in percussores mox subsecuta Liber commentarius, Opera, studioque Iacobi LernutI Auctus, et editus, Brugge.

Lipsius, I. 1600. Opera omnia quae ad criticam proprie spectant, Antwerpen.

 

M

Maïer, I. 1970. Angelo Poliziano. Opera Omnia, Torino.

Marshall, P.K. 1990. Auli Gellii. Noctes Atticae, Oxford.

Mastrogianni, A. 2000. die ‘Poemata’ des Petrus Crinitus und ihre Horazimitation, Münster.

McFarlane, I. (ed.) 1980. Renaissance Latin Poetry, Manchester.

Müller, K. 1961. Petronii Arbitri Satyricon, München.

Murgatroyd, P. 2000. The Amatory Elegies of Johannes Secundus, Leiden & Boston.

 

N

Nichols, F.J. 1979. An Anthology of Neo-Latin Poetry, New Haven.

Nisbet, G. 2015. Martial. Epigrams, Oxford.

Nollet, H. 2015. De gedichten van Justus Lipsius. Kritische editie met vertaling, annotatie en literaire commentaar, Leuven.

Nolthenius, H. 1992. De cicade op de speerpunt. De Griekse oudheid in 160 epigrammen, Amsterdam.

Norcio, G. 1980. Marziale. Epigrammi, Torino.

 

O

Octavianus, S. (=Janus Lernutius & Victor Giselinus) 1579. Phaselus Catulli et ad eam, quotquot exstant Parodiae. Cum annotationibus doctissimorum virorum, York.

 

P

Page, D.L. 2008. Further Greek Epigrams. Epigrams before A.D. 50 from the Greek Anthology and Other Sources ..., Cambridge.

Parker, H. 2010. Antonio Beccadelli. The Hermaphrodite, Cambridge & London.

Paton, W.R. 2014. The Greek Anthology I. Books 1-5 (Loeb Classical Library 67), Cambridge.

Perosa, A. & Sparrow J. 1979. Renaissance Latin verse: An Anthology, London.

Plantin, C. 1883-1918. Correspondance. ed. M. Rooses & J. Denucé, Gent & Den Haag.

Politianus, A. 1553. Angeli Politiani Opera, Basel.

Pontanus, G. 1531. Ion. Ioviani Pontani Carmina, Pars secunda, Basel.

Putnam, M.C. 2009. Jacopo Sannazaro. Latin Poetry, Cambridge & London.

 

R

Riley, M. 2016. The Neo-Latin Reader, Sophron.

Roman. L. 2014. Giovanni Gioviano Pontano. On Married Love – Eridanus, Cambridge & London.

 

S

Schnur, H.C. 1967. Lateinische Gedichte deutscher Humanisten

Sers, O. 2006. Jean Second, Les Baisers – Michel Marulle, Épigrammes, Paris.

 

V

Van Dolen, H. 1998. Achilleus Tatios. De liefdesperikelen van Leukippe en Kleitofon, Amsterdam.

Van Santen, L. 1783-1796. Deliciae poeticae, Leiden.

 

W

Wilson, A.E. 1973. Andrea Navagero, Lusus. Text and Translation. Edited with an Introduction and with a Critical Commentary by Alice E. Wilson. Bibliotheca Humanistica & Reformatorica IX, Nieuwkoop.

Wilson, A.M. 1997. Jean Bonnefons. Pancharis, Manchester.

Wright, F.A. 1930. The love poems of Joannes Secundus
A rev. Latin text and an English verse transl., together with an introd. essay on the Latin poetry of the Renaissance
, London.

 

 

Secundaire bronnen

 

 

A

Auhagen, U. 2008. ‘Marullus, ein ‘Catullus pudicus’ (Epigr. 1,2)’, in: E. Lefèvre & E. Schäfer, Michael Marullus. Ein Grieche als Renaissancedichter in Italien, Tübingen, pag. 57-66.

 

B

Baier, t. (ed.). 2003. Pontano und Catull, Tübingen.

Balavoine, C. 1980. ‘A la suite des “Basia” de Joannes Secundus: Questions sur l’imitation’, in: J.-C. Margolin (ed.), Acta Conventus Neo-Latini Turonensis, Paris, bd. 2, 1077-1092.

Balsamo J. e.a. (eds.). 2000. La poétique de Jean Second et son influence au XVIe siècle, Paris.

Borgstedt, T. 1994. ‘Kub, Schob und Altar. Zur Dialogizität und Geschichtlichkeit erotischer Dichtung’, German.-Roman. Monatsschrift 44, 288-323.

Bostoen, K. 2010. ‘Two Bruges Humanists: Vulcanius and Castelius. Good Friends of Mere Acquaintances?’, in: H. Cazes, Bonaventura Vulcanius, Works and Networks, Leiden & Boston, 225-244.

Braakhuis, A. 1952. ‘Daniel Jonctys’ Roseliins oochies vergeleken met de Ocelli van Janus Lernutius’, De nieuwe taalgids 45, 147-156.

Braden, G. 2010. ‘Classical Love Elegy in the Renaissance (and After)’, in: Karen Weisman (ed.), The Oxford Handbook of the Elegy, Oxford, 153-169.

 

C

Chappuis Sandoz, L. (ed.) 2011. Au-delà de l’élégie d’amour: Métamorphoses et renouvellements d’un genre latin dans l’antiquité et à la Renaissance, Paris.

Cloet, M. 1984. Het bisdom Brugge (1559-1984), Brugge.

Czapla, B. 2003. ‘Erlebnispoesie oder erlebte Poesie? Paul Flemings Suavia und die Tradition des zyklusbildenden Kuβgedichts’, in: B. Czapla, R.G. Czapla & R. Seidel (eds.), Lateinische Lyrik der Frühen Neuzeit, Tübingen, 356-397.

Czapla, B. 2004. ‘Die Entstehung von Kub und roter Rose: Die Transformation eines Mythos durch Johannes Secundus und andere’, in E. Schäfer (ed.), Johannes Secundus und die römische Liebeslyrik, Tübingen, 225-238.

Czapla, B. 2006. ‘Der Kuss des geflügelten Eros. Figurationen des Liebesgottes in Moschos I und Bion Aposp. 13Gow als hellenistische Kontrafakturen des γλυκύπικρον ἀμάχανον ὄρπετον’ in: A. Harder e.a. (eds.), Beyond the Canon, Leuven-Paris-Dudley, 61-82.

 

D

Dahlmann, H. 1979. ‘Ein Gedicht des Apuleius?’, in: Akademie der Wissenschaften und der Literatur Mainz. Abhandlungen der Geistes- und sozialwissenschaftlichen Klasse 1979.8.

De Baets, P. 2008. ‘Familiale achtergrond van drie Brugse humanisten: Lampsonius, Fruterius en Colvius’, Brugs Ommeland 2008, 3, pag. 154-172.

De Beer, S., Enenkel, K. & Rijser, D. (eds.). 2009. The Neo-Latin Epigram: A Learned and Witty Genre, Leuven.

De Beer, S. 2014. ‘Elegiac Poetry’, in: Brill’s Encyclopaedia of the Neo-Latin World, Leiden & Boston, vol. 1, 385-397.

De Landtsheer, J. e.a. (eds.) 2006a. Justus Lipsius 1547-1606: een geleerde en zijn Europese netwerk (Supplementa Humanistica Loveniensia XXI), Leuven.

De Landtsheer, J. (ed.) 2006b. Lieveling van de Latijnse taal: Justus Lipsius te Leiden herdacht bij zijn vijfhonderdste sterfdag, Leuven.

Delattre, A. 2014. La Muse de l’éphémère. Formes de la poésie de circonstance de l’antiquité à la Renaissance (Lectures de la Renaissance latine 5), Paris.

Deneire, T. 2014a. ‘Neo-Latin Literature - The Low Countries’, in: P. Ford, J. Bloemendal C. & Fantazzi, Brill's Encyclopaedia of the Neo-Latin World, Leiden, vol. 2, 1096-1098.

Deneire, T. 2014b. ‘Editing Neo-Latin Texts: Editorial Principles; Spelling and Punctuation’, in: Brill’s Encyclopaedia of the Neo-Latin World, Leiden & Boston, vol. 1, 958-962.

De Schepper M. & Heesakkers C.L. 1988. Bibliographie de l’humanisme des anciens Pays-Bas. Supplément 1970-1985, Brussel.

De St. Genois, J. 1866, ‘Adornes (Tertius Anselme)’, in: Biographie Nationale de Belgique, T. I, Brussel, col. 79.

De Smet, G. 1995. ‘Brugse humanisten aan de wieg van de Germaanse filologie’, Academiae Analecta. Mede delingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Letteren 57, 23-26.

De Smet, I. & Ford, P. 1997. Eros et Priapus: Erotisme et obscénité dans la littérature néo-latine, Geneva.

De Weerdt, R. 2016. ‘Janus Secundus, Zoenen’, Kleio 45.4, pag. 184-190.

De Witte, A. 1955-1956. Het humanisme in Brugge, 1515-1578, KULeuven (diss.).

De Witte, F. 1966. ‘Brugge in de zestiende eeuw. Enkele konstanten in het intellektuele leven’, Brugs ommeland 6, 8-23.

Dewitte A. 1957. ‘Erasmus en Brugge (1515-1536)’, Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis gesticht onder de benaming Société d’Emulation te Brugge, 94, 5-21.

Dewitte, A. 1961. ‘Justus Lipsius en Brugge (1564-1606)’, Brugs Ommeland 1.2, 2-18.

Dewitte, A. 1967. ‘Historisch-kritische problemen bij de begripsinhoud Zuid-Nederlands Humanisme’, Librye 3, 25-31.

Dewitte, A. 1973. ‘Het humanisme in Brugge: een overtrokken begrip?’, Handelingen van de Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis 27, 5-26.

Dewitte, A. 1974. ‘Brugse geleerden en Brugse literatuur in de 17de en 18de eeuw’, Biekorf, 75, 277-288.

Dewitte, A. 1978. ‘Victor Ghiselin van Zandvoorde’, in: Biekorf 78, 214-216.

Dewitte, A. 1982. ‘Chronologie van de reformatie te Brugge en in het Brugse Vrije (1485-1593)’, in: van der Bauwhede & M. Goetinck (eds.). Brugge in de Geuzentijd. Bijdragen tot de geschiedenis van de Hervorming te Brugge en in het Brugse Vrije tijdens de 16de eeuw, Brugge, 34-44.

Dewitte, A. 1992. ‘Brugge in de 16de eeuw. Een cultuurhistorisch essay’, Biekorf, 92, 291-306.

 

E

Ellinger, G. 1933. Geschichte der Neulateinischen Lyrik in den Niederlanden vom Ausgang des Fünfzhenten bis zum Beginn des Siebzehnten Jahrhunderts. III. Erste Abteilung, Berlin & Leipzig.

Ellis, R. 1905. Catullus in the XIVth Century, Oxford.

Endres, C. & Gold B. 1982. ‘Joannes Secundus and His Roman Models: Shapes of  Imitation in Renaissance Poetry’, Renaissance Quarterly 35, 577-589.

F

Fantazzi, C. 1996. ‘The Style of the Quattrocento Latin Love Poetry’, International Journal of the Classical Tradition 3, 127-146.

Feys, E. 1886. ‘Biographie brugeoise, les frères Lauryn-Lernutius’, Annales de la Société d’Émulation de Bruges 36, 281-339.

Ford, P. 2013. The Judgement of Palaemon. The Contest between Neo-Latin and Vernacular Poetry in Renaissance France, Leiden & Boston.

Ford, P. & Bloemendal, J. & Fantazzi. C. Brill's Encyclopaedia of the Neo-Latin World, Leiden.

Forster, L. 1969. The Icy Fire. Five Studies in European Petrarchism, Cambridge.

Fucilla, J. 1938. ‘Navagero’s De Cupidine & Hyella’, Philological Quarterly 17, 288-296.

 

G

Gaisser, J. 1992. ‘Catullus’, in: V. Brown (ed.), Catalogus Translationum et Commentariorum 7, Washington DC, 197-292.

Gaisser, J.H. 1993. Catullus and His Renaissance Readers, Oxford.

Gavinelli, S. 2006. ‘The Reception of Propertius in Late Antiquity and Neolatin and Renaissance Literature’, in: H.-J. Günther, Brill’s Companion to Propertius, Leiden & Boston, 399-415.

Gaisser, J. 2007. ‘Catullus in the Renaissance’, in: M.B. Skinner. A Companion to Catullus, Oxford e.a., 439-460.

Gaisser, J.H. 2009. Catullus (Blackwell Introductions to the Classical World), Oxford.

Gaisser, J. 2015. ‘Pontano’s Catullus’, in: D. Kiss, What Catullus Wrote: Problems in Textual Criticism, Editing aaughand the Manuscript Tradition, Swansea, 53-92.

Geirnaert, N. 1982. ‘Een initiatief van het Calvinistisch stadsbestuur te Brugge: de openbare bibliotheek, 1578-1584’, in: van der Bauwhede & M. Goetinck (eds.), Brugge in de Geuzentijd. Bijdragen tot de geschiedenis van de Hervorming te Brugge en in het Brugse Vrije tijdens de 16de eeuw, Brugge, 45-54.

Gelderblom, W. 2009, ‘Het ontstaan van een kus. Het vijfde kusgedicht van Janus Secundus’, Hermeneus 81-3, 122-128.

Gelderblom, W. 2011. Kussen voor de eeuwigheid. Latijnse liefdespoëzie uit de Renaissance. Vijfhonderd jaar Janus Secundus (1511-1536), Nijmegen.

Geldhof, J. 1982. ‘De politieke en religieuze situatie in het Brugse Vrije 1578-1584’, in: van der Bauwhede & M. Goetinck (eds.), Brugge in de Geuzentijd. Bijdragen tot de geschiedenis van de Hervorming te Brugge en in het Brugse Vrije tijdens de 16de eeuw, Brugge, 55-70.

Gendre, A. 1978. ‘De l’Antiquité à Ronsard et à Louise Labé. Le baiser amoureux et la mort’, in: Mélanges d’études romanes du Moyen Age et de la renaissance offerts à M. Jean Rychner, Strasbourg, 169-181.

Gerlo, A. & Vervliet, H.D.L. 1968. Inventaire de la correspondance de Juste Lipse, 1564-1606, Antwerpen.

Ginsberg, E. 1986. ‘Peregrinations of the Kiss: Thematic Relationships between Neo-Latin and French Poetry in the Sixteenth Century’, in: I. MacFarlane (ed.), Acta Conventus Neo-Latini Sanctandrani, Binghampton, 331-342.

Godman, P. 1988. ‘Johannes Secundus and Renaissance Latin Poetry’, The Review of English Studies, n.s. 39, 252-272.

Godman, P. 1990. ‘Literary Classicism and Latin Erotic Poetry of the Twelfth Century and the Renaissance, in: P. Godman & O. Murray (eds.), Latin Poetry and the Classical Tradition, Oxford, 149-182.

Guépin, J.P. 1987. ‘Janus en Pontanus. Motieven uit de Kusgedichten’, De Revisor 14, pag. 52-63.

 

H

Hankins, J. 2001. ‘The Lost Continent: Neo-Latin Literature and the Rise of Modern European Literatures; Catalog of an Exhibition at the Houghton Library, 5 March - 5 May 2001’, Harvard Library Bulletin 12, 1-192.

Harrington, S. 1963. Catullus and his Influence, New York.

Hartkamp, R. 2003. ‘Pontano zwischen Catull und Panormita: das Jugendwerk Pruritus’, in: T. Baier (ed.). Pontano und Catull, Tübingen, pag. 219-233.

Haynes, K. 2007. ‘The Modern Reception of Greek Epigram’, in: P. Bing & J.S. Brussen (eds.). Brill’s Companion to Hellenistic Epigram, Leiden & Boston, 565-583.

Heesakkers, C. 1973. Janus Dousa en zijn vrienden, Leiden.

Heesakkers, C. 1976. Praecidanea Dousana. Materials for a Biography of Janus Dousa Pater (1545-1604). His Youth, Amsterdam.

Heesakkers, C. 1985. ‘Le procurateur Obertus Giphanius (5 novembre 1566-4 janvier 1567)’, in: Etudes Néerlandaises de droit et d’histoire, Orléans, 133-153.

Heesakkers, C. 1986a. ‘Nederlandse studenten stichten een bibliotheek in Frankrijk’ in: W.R.H. Koops e.a. (eds.), Boek, bibliotheek en geesteswetenschappen, Hilversum, 137-150.

Heesakkers, C. 1986. ‘Secundusverering in Nederland’, in: M. de Schepper & R. de Smedt (eds.), Symposium Janus Secundus (Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, 90/2), 25-37.

Heesakkers, C. & Reinders, W. 1993, Genoeglijk bovenal zijn mij de Muzen. De Leidse Neolatijnse dichter Janus Dousa (1545-1604), Leiden.

Heesakkers, C. & Reinders W. 1994, ‘Het IIII kvsken. Sonet. Bij Douza’, in: H. Duits e.a. (eds.), Klinkend boeket. Studies over renaissancesonnetten voor Marijke Spies, Hilversum, 13-18.

Heesakkers, C. 1995. ‘De Nederlandse Muze in Latijns gewaad. De bestudering van de Neolatijnse poëzie uit de Noordelijke Nederlanden’, Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en letterkunde jrg. 111, pag. 142-162.

Heesakkers, C. 2006. ‘Twee Leidse boezemvrienden van Justus Lipsius: Janus Dousa en Jan van Hout’, De Gulden Passer 84, 1-26.

Heesakkers, C. e.a. 2008. ‘Netherlands and Belgium’, in: Brill’s New Pauly, Classical Tradition, Leiden, vol. 3, 1060-1139.

Helander, H. 2001. ‘Neo-Latin Studies: Significance and Prospects’, Symbolae Osloenses 76, 5-102.

Himpe, A. 1940-1941. Studie over het humanisme aan het Sint-Donaaskapittel te Brugge, UGent (diss.).

Hintzen, B. 2015. Paul Flemings Kuβgedichte und ihr Kontext, Bonn.

Hooper, R. 1985. ‘In defence of Catullus’ Dirty Sparrow’, Greece & Rome 32, 162-178.

Houghton, L. 2013. ‘Renaissance Latin Love Elegy’, in: T.S. Thorsen (ed.), The Cambridge Companion to Latin Love Elegy, Cambridge, 290-305.

Hurka, F. 2003. ‘Die Cinnama in Pontanos erstem Buch des Amores und Catulls Lesbia’, in: T. Baier (ed.). Pontano und Catull, Tübingen, pag. 149-159.

Hurka, F. 2005. ‘Sannazaros Kuβgedicht “Ad Ninam” (Epigr. 1.6): Zwischen Pontano und Catull’, in: E. Schäfer (ed.), Sannazaro und die Augusteische Dichtung, Tübingen, 137-146.

Hutton, J. 1928. ‘Amor Fugitivus: The First Idyl of Moschus in Imitations to the Year 1800’, American Journal of Philosophy 49, 105-136.

Hutton, J. 1935. The Greek Anthology in Italy to the Year 1800, New York.

Hutton, J. 1941. ‘Cupid and the Bee’, Publications of the Modern Language Association of America 59, 1036-1058.

Hutton, J. 1946. The Greek Anthology in France and the Latin Writers of the Netherlands to the year 1800, Ithaca, New York.

 

I

Ijsewijn, J. 1975. ‘The Coming of Humanism to the Low Countries’, in: H. A. Oberman & T.A. Brady jr. (eds.), Itinerarium Italicum, Leiden, 193-301.

Ijsewijn, J. 1988. ‘Humanism in the Low Countries’, in: A. Rabil (ed.), Renaissance Humanism: Foundations, Forms and Legacy, Philadelphia, vol. 2, 156-215.

Ijsewijn, J. 1990. Companion to Neo-Latin Studies. Part I: History and Diffusion of Neo-Latin Literature (Supplementa Humanistica Lovaniensia 5), Leuven.

Ijsewijn, J. & Sacré, D. 1998. Companion to Neo-Latin Studies. Part II: Literary, Linguistic, Philological and Editorial Questions (Supplementa Humanistica Lovaniensia 14), Leuven.

 

K

Kallendorf, C. 2017. ‘Using Manuscripts and Early Printed Books’, in: V. Moul (ed.), A Guide to Neo-Latin Literature, Cambridge, 379-391.

Kinon, M. 1945. Victor Giselin (1543-1591), sa vie et sa correspondence, Leuven (thesis).

Knight, S. & Tilg, S. 2015. The Oxford Handbook of Neo-Latin, Oxford.

Kühlmann, W. & Seidel, R. & Wiegand, H. (eds.). 1997. Humanistische Lyrik des 16. Jahrhunderts, Frankfurt.

 

L

Lamers, H. 2009. ‘Marullo’s Imitations of Catullus in the Context of His Poetical Criticism’, in: S. de Beer, K. Enenkel & D. Rijser. (eds.), The Neo-Latin Epigram: A Learned and Witty Genre, Leuven, pag. 191-214.

Lefèvre, E. & Schäfer, E. 2008. Michael Marullus. Ein Grieche als Renaissancedichter in Italien, Tübingen.

Ludwig, W. 1989. ‘Catullus renatus: Anfänge und frühe Entwicklung des catullischen Stils in der neulateinischen Dichtung’, in: L. Braun & W. Ehlers & P.Schmidt & B. Seidensticker (eds.), Litterae Neolatinae: Schriften zur neulateinischen Literatur, München, 162-194.

Ludwig, W. 1990. ‘The Origin and Development of the Catullan Style in Neo-Latin Poetry’, in: P. Godman & O. Murray (eds.), Latin Poetry and the Classical Tradition, Oxford, 183-198.

Ludwig, W. 1991. ‘The Beginnings of Catullan Neo-Latin Poetry’, in: A. Dalzell e.a. (eds.), Acta Conventus Neo-Latini Torontonensis, Binghamton, New York, 449-456.

 

M

Morrison, M. 1955. ‘Catullus in the Neo-Latin Poetry of France before 1550’, Bibliothèque d’Humanisme et Renaissance 17, 363-394.

Morrison, M. 1963. ‘Catullus and the Poetry of the Renaissance in France’, Bibliothèque d’Humanisme et Renaissance 25, 25-56.

Moul, V. 2017. A Guide to Neo-Latin Literature, Cambridge.

 

N

Nauwelaerts, M. 1964. ‘Humanisten rondom Plantin’, Noordgouw 4, 9-26.

Nauwelaerts, M. 1974. ‘Het Humanisme in de Nederlanden’, Wetenschappelijke tijdingen 33, col. 37-46.

Nauwelaerts, M. 1974. ‘De renaissancistisch-humanistische periode’, in: Twintig eeuwen Vlaanderen, t. XII: kunst en wetenschap, III: wetenschap, Hasselt, 85-173.

Nisbet, G. 2014. ‘Epigrams – The Classical Tradition’, in: Brill’s Encyclopaedia of the Neo-Latin World, Leiden & Boston, vol. 1, 379-386.

Nolen, Th. 1890. ‘Dr. Daniël Jonctys’, Rotterdams Jaarboekje 2, 133-150.

 

P

Papy, J. 1996. ‘La poésie de Juste Lipse. Esquisse d’une évaluation critique de sa technique poétique’, in: C. Mouchel (ed.), Juste Lipse (1547-1606) en son temps: Actes du colloque de Strasbourg, 1994, 163-214.

Parker, H. 2005. ‘Renaissance Latin Elegy’, in: Barbara K. Gold (ed.), A Companion to Roman Love Elegy, Malden, 476-490.

Parmentier, R. 1927. ‘Het kapittel van de Sint-Donaaskerk te Brugge en het humanisme’, Annales de la Société d’émuluation de Bruges 70, 190-195.

Perella, N. 1969. The Kiss, Sacred and Profane, Berkeley.

Piceu, T. 2008. Over Vrybuters en quaetdoenders. Terreur op het Vlaamse platteland (eind 16de eeuw), Leuven.

Pigman, G. 1980. ‘Versions of Imitation in the Renaissance’, Renaissance Quarterly 33, 1-32.

Price, D. 1996. Janus Secundus (Medieval & Renaissance Texts & Studies, vol. 143), Tempe.

 

R

Ramminger, A. 1937. Motivgeschichtliche Studien zu Catulls Basiagedichte. Mit einem Anhang: Aus dem Nachleben der Catullschen Basiagedichte (diss. Tübingen), Würzburg.

Revard, S. 2014. ‘Neo-Latin Lyric Poetry in the Renaissance’, in: Brill’s Encyclopaedia of the Neo-Latin World, Leiden & Boston, vol. 1, 399-411.

Robert, J. 2004. ‘Mella legatis apes. Lyrische Ich-Erfährung, rinascimentaler imitatio-Diskurs und Poetik des Mythos in den Basia des Johannes Secundus’, in: E. Schäfer (ed.), Johannes Secundus und die römische Liebeslyrik, Tübingen, 277-292.

Roersch, L. 1883. ‘Giselin’, in: Biographie Nationale de Belgique, T. VII, Brussel, col. 787-792.

Roersch, L. 1890. ‘Jean Leernout’, in: Biographie Nationale de Belgique, T. XI, Brussel, col. 631-638.

Roulez, J. 1872. ‘Louis Carrion’, in: Biographie Nationale de Belgique, T. III, Brussel, col. 352-356.

Roulez, J. 1876. ‘De Vriendt Maximilien’, in: Biographie Nationale de Belgique, T. V, Brussel, col. 869-871.

 

S

Sanderus, A. 1624. De Brugensis eruditionis fama claris libri duo, Antwerpen.

Schäfer, E. 2004. ‘Erotische Transzendierung bei Ioannes Secundus und Ianus Lernutius’, in: E. Schäfer (ed.), Johannes Secundus und die römische Liebeslyrik, Tübingen, 239-264.

Schäfer, E. (ed.). 2004. Johannes Secundus und die römische Liebeslyrik, Tübingen.

Schroeter, A. 1909. Beiträge zur Geschichte der neulateinischen Poesie Deutschlands und Hollands (Palaestra, 77), Berlin.

Setaioli 2001. ‘La poesia in Petr. Sat. 79.8’, Prometheus 27, 136-144.

Sidwell, K. 2017. ‘Editing Neo-Latin Literature’, in: V. Moul (ed.). A Guide to Neo-Latin Literature, Cambridge, 394-407.

Smeesters, A. 2011. Aux rives de la lumière. La poésie de la naissance chez les auteurs néo-latins des anciens Pays-Bas entre la fin du XVe siècle et le milieu du XVIIe siècle, Leuven.

Sparrow, J. 1960. ‘Latin Verse of the High Renaissance’, in: E.F. Jacob, Italian Renaissance Studies, London, 354-409.

Spitzer, L. 1955. ‘The Problem of Latin Renaissance Poetry’, Studies in the Renaissance 2, 118-138.

Starza Smith, D. 2014. John Donne & the Conway Papers. Patronage & Manuscript Circulation in the Early Seventeenth Century, Oxford.

Stevenson, H. 2014. ‘The Greek Anthology’, in: P. Ford, J. Bloemendal & C. Fantazzi, Brill’s Encyclopaedia of the Neo-Latin World, Leiden & Boston, vol. I, 983-984.

Stoessl, F. 1948. ‘Die Kussgedichte des Catull und ihre Nachwirkung bei den Elegikern’, Wiener Studien 63, 102-116.

Swann, B. 1994. Martial’s Catullus: The Reception of an Epigrammatic Rival, Hildesheim.

 

T

Thomas, W. 2004. De val van het nieuwe Troje. Het beleg van Oostende, 1601-1604, Leuven.

Thue, M. 2013. ‘The Love Elegy in Medieval Latin Literature (pseudo-Ovidiana and Ovidian Imitations)’, in: T.S. Thorsen (ed.), The Cambridge Companion to Latin Love Elegy, Cambridge, 271-289.

Tournay, G. 2002. ‘A Correspondent of Lorenzo Ramírez de Prado and of Justus Lipsius: Robert de Scheilder, in: M. Maestre Maestre, C. Brea & P. Barea (eds.), Humanismo y pervivencia, Madrid, 1249-1262.

Tournoy, G. 2007. ‘Low Countries’, in: C.W. Kallendorf (ed.), A Companion to the Classical Tradition, Malden, 237-251.

Tuynman, P. 1972-1973. ‘Humanisme en neolatijnse poëzie in de Nederlanden: een gids voor de literatuur’, Hermeneus 44, 225-235.

 

V

Van Crombruggen, H. 1955. Janus Lernutius (1545-1619). Een biografische studie (Verhandelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Letteren 23), Brussel.

Van Crombruggen, H. 1959. Lernutiana (Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Letteren 21), Brussel.

Van Dam, H.J. 1996. ‘Onder de altijd bloedige barbaren uit het noorden. Catullus in het Nederlands humanistisch Latijn in de zestiende eeuw’, in: Van der Paardt e.a., Receptie van de Klassieken – Supplement IV: Catullus. Vier voordrachten en lesmateriaal, Emmeloord, 27-52.

Van Dam, H.J. 2000. ‘Second et la poésie néo-latine des Pays-Bas au XVIe siècle’, in: J. Balsamo e.a. (eds.), La poétique de Jean Second et son influence au XVIe siècle, Paris, 169-184.

van Dam, H.-J. 2009. ‘Taking Occassion by the Forelock: Dutch Poets and Appropriation of Occasional Poems’, in: Y. Maes, J. Papy & W. Verbaal (eds.), Latinitas Perennis. Vol. II. Appropriation and Latin Literature, Leiden & Boston, 95-127.

Van Dam, H.J. 2009. ‘Taking Occasion by the Forelock: Dutch Poets and Approbation of Occasional Poems’, in: Y. Maes, J. Papy, & W. Verbaal (eds.), Latinitas Perennis vol. II, Appropriation and Latin Literature, Leiden, 95-127.

Vandamme, L. 1982. De socio-professionele recrutering van de reformatie in Brugge (1566-1567), onuitgegeven licentiaatsverhandeling KUL, Leuven.

Vandamme, L. 1982. ‘Het Calvinisme in Brugge in beweging (1560-1566)’, in: D. van der Bauwhede & M. Goetinck (eds.), Brugge in de Geuzentijd. Bijdragen tot de geschiedenis van de Hervorming te Brugge en in het Brugse Vrije tijdens de 16de eeuw, Brugge, 102-122.

Vandamme, L. 1997. Een stad vol boeken. Bibliotheken en leescultuur in Brugge in de 16de eeuw, Brugge.

Van de Putte, F. 1875. ‘Étude sur la littérature latine dans la West-Flandre’, Annales de la Société d’émuluation de Bruges, 27, 161-188.

van der Lem, A. 2014. De Opstand in de Nederlanden 1568-1648. De Tachtigjarige Oorlog in woord en beeld, Nijmegen.

Vandermeersch, P. 1986. ‘Bruggelingen aan de Leuvense universiteit in de 16de eeuw: sociale universiteitsgeschiedenis op basis van een prosopografisch onderzoek’, Handelingen der Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis 40, 159-173.

van der Poel, M. 2014. Neo-Latin Philology: Old Tradition, New Approaches, Leuven.

van Dorsten, J.A. 1962. Poets, Patrons, and Professors. Sir Philip Sidney, Daniel Rogers, and the Leiden Humanists, Leiden & Londen.

van Gulik, E. 1975. ‘Drukkers en geleerden - De Leidse Officina Plantiniana (1583-1619)’, in: Th.H. Lunsingh Scheurleer & G.H.M. Posthumus Meyjes (eds.), Leiden University in the Seventeenth Century. An Exchange of Learning, Leiden, 367-393.

Van Hal, T. 2007. ‘Towards Meta-Neo-Latin Studies? Impetus to Debate on the Field of Neo-Latin Studies and Its Methodology’, Humanistica Lovaniensia 56, 349-365.

Van Houtte, J. 1982. Geschiedenis van Brugge, Tielt.

Van Miert, D. (ed.). 2011, The Kaleidoscopic Scholarship of Hadrianus Junius (1511-1575). Northers Humanism at the Dawn of the Dutch Golden Age (Brill’s Studies in Intellectual History 199), Leiden.

Van Tieghem, P. 1966. La littérature latine de la Renaissance, Genève.

Vogt-Spira, G. 2003. ‘Küssen und Schreiben. Pontanos Imitatio von Catulls basia-Gedichten, in: T. Baier (ed.), Pontano und Catull, Tübingen, 161-172.

Vogt-Spira, G. 2004. ‘Catull-Imitatio im Horizont rinascimentalen Liebesdiskurses: Joannes Secundus’ Basiorum liber’, in: in: E. Schäfer (ed.), Johannes Secundus und die römische Liebeslyrik, Tübingen, 265-276.

 

W

Westendorp Boerma, R. 1961-1962. ‘Navolgingen van Catullus 4’, Hermeneus 33.3, pag. 57-63.

Wilmink, G. 1985. Kusjes. Een onderzoek naar de invloed van Janus Secundus’ Basia op de Nederlandse lyrische dichters in de Renaissance, Nijmegen.

Wiseman, T. 1985. Catullus and His World: A Reappraisal, Cambridge.

Wong, A. 2012. ‘Sir Philip Sidney and the Humanist Poetry of Kissing’, Sidney Journal 31 (2), 1-30.

Wong, A. 2014. ‘The Hard and the Soft in the Humanist Poetry of Kissing’, International Journal of the Classical Tradition 21(1), 30-66.

Wong, A. 2017. The Poetry of Kissing in Early Modern Europe, Cambridge.

Wong, A. 2018. ‘Catullus in the Renaissance’, in: I. Du Quesnay & A. Woodman (eds.), The Cambridge Companion to Catullus, Cambridge (forthcoming).

Ypes, C. 1934. Petrarca in de Nederlandse letterkunde, Amsterdam.

 

 

 

 

 

 

Universiteit of Hogeschool
Historische Taal- en Letterkunde
Publicatiejaar
2017
Promotor(en)
dr. Yanick Maes
Kernwoorden
Deel deze scriptie