Het gebruik van elektronische patiëntendossiers door Vlaamse thuisverpleegkundigen - Een cross-sectionele, descriptieve studie

Niels Verhavert
De gezondheidszorg ondergaat een elektronische revolutie. Elektronische patiëntendossiers worden volop geïmplementeerd binnen de eerste-, tweede- en derdelijnszorg. Wat wordt er nu juist gebruik in deze elektronische dossiers door Vlaamse thuisverpleegkundigen en waarom?

Het elektronische patiëntendossier onder de loep: wat registreren Vlaamse thuisverpleegkundigen nu echt over jou als patiënt?

“Er is een grote variatie in het registratiepatroon van Vlaamse thuisverpleegkundigen. Algemeen worden vooral zaken die te maken hebben met de financiële aspecten van de zorg geregistreerd.”

We leven in een maatschappij waar alles meer en meer elektronisch gebeurt. In de gezondheidszorg is dat niet anders. Iedereen kent ondertussen wel de onontkoombare vraag van de huisarts of de thuisverpleegkundige om de identiteitskaart te overhandigen bij een consultatie. De gezondheidsmedewerker kan daarmee immers heel wat gegevens over jou raadplegen en bewerken. Maar wat gebeurt er dan eigenlijk juist? Wat doet de gezondheidsmedewerker dan juist met jouw dossier? En wat doet hij juist niet?

 

Op al deze vragen trachtte ik met mijn thesisonderzoek antwoord te vinden. Ik ontwikkelde een vragenlijst die ik –elektronisch weliswaar– aan thuisverpleegkundigen overhandigde. Met deze vragenlijst wilde ik twee zaken in kaart brengen: enerzijds hoe vaak de thuisverpleegkundige bepaalde zaken in het elektronische patiëntendossier gebruikt en anderzijds wat de rede is van het niet-gebruiken van sommige functies. Via SPSS (, een softwarepakket om statistiek mee te berekenen) analyseerde ik de data van de ingeleverde vragenlijsten. Ik vergeleek vier leeftijdsgroepen (21j – 31j, 32j – 41j, 42j – 52j, 52 en ouder) en vier groepen die opgedeeld zijn in het aantal jaar dat de thuisverpleegkundige haar huidig elektronisch dossier gebruikt (minder dan vijf jaar, tussen vijf en tien jaar, tussen tien en vijftien jaar, meer dan vijftien jaar). Hierbij kwamen enkele interessante zaken naar voor.

In totaal vulden 237 thuisverpleegkundigen mijn vragenlijst in. Dat is niet bijzonder veel in vergelijking met het totaalaantal thuisverpleegkundigen in Vlaanderen (± 25.000), maar wel voldoende om een idee te krijgen over bovengenoemde gebruiksgewoonten. We zien in de eerste plaats bijvoorbeeld dat verpleegkundigen in het algemeen veel vaker zaken gaan registreren die gekoppeld zijn aan de administratieve en financiële gegevens van de patiënt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer je in het ziekenhuis bent genaaid en de verpleegkundige bij jou thuis de draadjes komt verwijderen. Dan moet zij daarvoor een bepaald bedrag krijgen van de mutualiteit. De verpleegkundige registreert deze facturatie aan de mutualiteit in haar elektronisch dossier. Dat is zo een voorbeeld van een financieel gegeven dat gekoppeld is aan jou als patiënt.
Wat opvallend is, is dat de jongste thuisverpleegkundigen deze zaken significant minder vaak gaan registreren ten opzichte van de oudere groepen van thuisverpleegkundigen. Ook thuisverpleegkundigen die minder dan vijf jaar met hun huidig elektronisch dossier werken, gebruiken die financiële gegevens significant minder. Al deze thuisverpleegkundigen duidden heel vaak aan dat de registratie van die financiële gegevens niet onder hun takenpakket valt. Een mogelijke reden is dus dat de jongere thuisverpleegkundigen vaker gebruik maken van een administratief bediende die deze financiële gegevens voor hen registreert. Een andere reden kan zijn dat jongere thuisverpleegkundigen nog moeten leren werken met hun elektronisch patiëntendossier en dat ze door ouder te worden, meer zaken gaan gebruiken en registeren.

Verpleegkundigen maken tijdens hun zorg gebruik van anamnesemodellen en evaluatieschalen. Dat zijn soorten vragenlijsten waarop bepaalde gegevens van de patiënt kunnen worden ingevuld. Op die manier kan de thuisverpleegkundige de patiënt volledig in kaart brengen en haar zorg voor in de toekomst plannen en afstemmen. Ik wilde via mijn vragenlijst ook te weten komen of deze anamnesemodellen en evaluatieschalen daadwerkelijk worden gebruikt.
Uit mijn onderzoek blijkt dat alle modellen en schalen heel weinig worden gebruikt. Eén uitzondering is het gebruik van de KATZ-schaal. De KATZ-schaal is een evaluatieschaal die de zorgafhankelijkheid van de patiënt in kaart brengt. Dat meet dus eigenlijk hoe groot de mate is van hulpbehoevendheid van een patiënt. De KATZ-schaal wordt door de mutualiteiten gebruikt om de terugbetaling van verpleegkundige zorg te berekenen. Dat is volgens mij ook de reden waarom juist deze schaal zoveel vaker wordt gebruikt dan alle andere modellen en schalen. Dit strookt ook bij mijn bovengenoemde bevindingen over het registeren van financiële gegevens over de patiënt.

In het algemeen wordt door thuisverpleegkundigen heel vaak aangegeven dat ze bepaalde zaken in hun softwarepakket niet gebruiken omdat ze ofwel niet weten dat hun elektronisch dossier dit kan, ofwel omdat ze het concept uit de vraag (een bepaald model, een bepaalde evaluatieschaal, etc.) niet kennen. Dit zou mogelijks kunnen betekenen dat de industrie –zij die de elektronische dossiers ontwikkelen– betere informatie moet verlenen aan thuisverpleegkundigen over hoe hun elektronisch patiëntendossier werkt. Dit kan ook een indicatie voor de opleiding tot verpleegkundige zijn om meer aandacht te vestigen op het gebruik van elektronische middelen en een elektronisch patiëntendossier in de zorg.

Het staat dus vast dat de functies in een elektronisch patiëntendossier beter moeten worden afgestemd op de gebruiksnoden van de thuisverpleegkundige. Daar is natuurlijk heel wat bijkomend onderzoek voor nodig. Mijn thesisonderzoek kan in die zin de start vormen van verzoeningspoging tussen de verpleegkundige praktijk, de vormgeving van een elektronisch patiëntendossier en de noden van de patiënt zelf. De verpleegkundige mag dan wel diegene zijn die ons verzorgt en bewaakt, maar het moment is denk ik aangebroken om ook zelf zorg te gaan dragen voor onze zorgverleners en hen het werk een stuk gemakkelijker te gaan maken.

Bibliografie

Ancker, J. S., Kern, L. M., Edwards, A., Nosal, S., Stein, D. M., Hauser, D., ... & with the HITEC Investigators. (2014). How is the electronic health record being used? Use of EHR data to assess physician-level variability in technology use. Journal of the American Medical Informatics Association, 21(6), 1001-1008.

Barry, C., et al. (2006). Electronic clinical records for physiotherapists. Internet     Journal of Allied Health Sciences and Practice 4(1): 6.

Begum, R., et al. (2013). Small practices' experience with EHR, quality measurement, and incentives. The American journal of managed care 19(10 Spec No): eSP12-18

Cabitza, F. (2012). On the attitudes of GPs toward novel features of their next EPRs. Quality of life through quality of information 180: 911-916.

Cho, I., et al. (2016). Comparing usability testing outcomes and functions of six electronic nursing record systems. International journal of medical informatics 88: 78-85.

Gordon, S. H., et al. (2015). Primary Care Physicians’ Use of Electronic Health Records in Rhode Island: 2009–2014. Rhode Island medical journal (2013) 98(10): 29-32.

Hogan, S. O. and S. M. Kissam (2010). Measuring meaningful use. Health Affairs 29(4): 601-606.

Lærum, H., et al. (2001). Doctors' use of electronic medical records systems in hospitals: cross sectional survey. Bmj 323(7325): 1344-1348.

Lejbkowicz, J., et al. (2004). Electronic medical record systems in Israel's public hospitals. IMAJ-RAMAT GAN- 6: 583-587.

Likourezos, A., et al. (2004). Physician and nurse satisfaction with an electronic medical record system. The Journal of emergency medicine 27(4): 419-424.

Meade, B., et al. (2009). What factors affect the use of electronic patient records by Irish GPs? International journal of medical informatics 78(8): 551-558.

Polit, D. F. and C. T. Beck (2008). Nursing research: Generating and assessing evidence for nursing practice, Lippincott Williams & Wilkins.

Poon, E. G., et al. (2010). Relationship between use of electronic health record features and health care quality: results of a statewide survey. Medical care 48(3): 203-209.

        

RAMIT (2014). Homecare Nursing Information Systems, Criteria 2014 Documentation & Interpretation.

Shi, J., et al. (2012). Content validity index in scale development. Zhong nan da xue xue bao. Yi xue ban= Journal of Central South University. Medical sciences 37(2): 152-155.

Simon, S. R., et al. (2008). Electronic health records: which practices have them, and how are clinicians using them? Journal of evaluation in clinical practice 14(1): 43-47.

Vreeman, D. J., et al. (2006). Evidence for Electronic Health Record Systems in Physical Therapy/Invited Commentary/Author Response. Physical Therapy 86(3): 434.

Universiteit of Hogeschool
Master of Science in de Verpleegkunde en Vroedkunde
Publicatiejaar
2017
Promotor(en)
Prof. Dr. Pascal Coorevits
Kernwoorden
Share this on: