Beïnvloedende factoren op de performantie bij klinisch audiologische testing van kleuters en lagereschoolkinderen met het syndroom van Down

Amy Oosterlynck
Deze scriptie gaat aan de hand van literatuuronderzoek na welke factoren een invloed hebben op het resultaat van gehoortesten bij kleuters en lagerschoolkinderen met Down. Een weergave van alle anatomische, functionele en gedragsbeperkingen zou audiologen kunnen helpen bij het anticiperen op invloeden bij de testing van kinderen met Down.

Testen van het gehoor bij kinderen met Downsyndroom: een uitdaging

Het gehoor testen van kinderen met Down is minder evident dan bij normaal ontwikkelende lagereschoolkinderen en kleuters. Nochtans is dit erg belangrijk. Wist je dat er tot bij 90% van de kinderen met Down een gehoorverlies wordt vastgesteld?

 

Mentale, lichamelijke, functionele en gedragsbeperkingen zorgen ervoor dat het resultaat van gehoortesten beïnvloed wordt. Om audiologen te ondersteunen en kinderen met Down beter te kunnen helpen, gingen we na met welke factoren de audioloog rekening moet houden bij het testen van deze kinderen.

 

Extra chromosoom

In België wordt 1 op 700 kinderen geboren met Down. Down is wereldwijd één van de meest voorkomende syndromen. Vrouwen die na hun veertigste zwanger worden hebben het meeste kans op een kind met Down.

Een stukje biologie… Elke menselijke cel bestaat uit 46 chromosomen, maar bij het Downsyndroom is er in één of meerdere cellen een extra chromosoom 21. Door een fout in de celdeling bevat elke cel bij kinderen met het syndroom van Down 47 chromosomen in plaats van 46.

 

Downsyndroom, meer dan uiterlijke kenmerken

Baby’s met het syndroom van Down vertonen vaak specifieke uiterlijke kenmerken zoals een brede schedel, plat achterhoofd, een platte neusbrug, kleine laagstaande oren en een dwarse buigplooi over de gehele handpalm. Naast fysieke karakteristieken, bijkomende problemen zoals hart- en vaatziekten, aangeboren of verworven gehoorverlies en een laag geboortegewicht komen ontwikkelingsproblemen, mentale beperkingen en neurologische problemen voor. De meeste kinderen ervaren eveneens spraak- en taalmoeilijkheden.

 

Het gehoor testen op duizend en één manieren

Bij kinderen met Down raadt men aan elke 6 maanden een gehoortest en een drukmeting van het oor te laten doen tot de leeftijd van 5 jaar. Na de leeftijd van 5 jaar is de richtlijn elk jaar. Dit omdat een normaal gehoor een kritische rol speelt in de ontwikkeling van de spraak en taal bij kinderen. Ook gedrag, sociale en cognitieve ontwikkeling zijn onderhevig aan het gehoor.

 

Er bestaan tal van gehoortesten voor kinderen. Zo wordt elke baby, ook een baby met Down, onderworpen aan een universele gehoorscreening. Deze screening maakt gebruik van ‘automated auditory brainstem responses’ (ABR) oftewel een automatische gehoorscreening. Indien uit deze test blijkt dat er mogelijks een gehoorverlies is, worden verdere testen afgenomen.

 

Voordat het gehoor getest wordt, vindt steeds een inspectie van de gehoorgang en het trommelvlies plaats, de otoscopie. Vervolgens wordt de beweeglijkheid van het trommelvlies bekeken aan de hand van een tympanometrie. Daarna kan men via oto-akoestische emissies, geluiden die ons oor zelf produceert als reactie op aangeboden tonen, zien of de haarcellen in ons slakkenhuis nog intact zijn. Bij deze test wordt een dopje in de gehoorgang geplaatst, worden geluiden aangeboden en worden de signalen daarna opgemeten.

Meestal wordt het gehoor van kinderen getest via gedragsaudiometrie of spelaudiometrie waarbij de respons op een aangeboden geluid of toon een reflex is, zoals het richten van het hoofd naar de geluidsbron, of bij oudere kinderen een aangeleerde reactie, zoals het stapelen van een blokje bij een toon. Daarnaast kan ook spraakaudiometrie gebeuren. Hierbij moet het kind een prent aanwijzen die overeenkomt met het gehoorde woord.

 

Beïnvloedende factoren

Een goeie opvolging van het gehoor bij kinderen met Down is belangrijk, maar evenwel niet evident. Zoals eerder aangehaald zijn er mentale, lichamelijke, functionele en gedragsbeperkingen die mogelijks het resultaat van de testen beïnvloeden.

Door een vernauwde gehoorgang, een kleine oorschelp en veel oorsmeer is soms de inspectie van het trommelvlies al een uitdaging voor de audioloog. Gehoortesten via de koptelefoon bij een smalle gehoorgang kunnen er bovendien voor zorgen dat de gehoorgang als het ware inzakt. Daarnaast zorgen frequente oorontstekingen en problemen met de gehoorzenuw als functionele beperkingen ook voor een beïnvloeding van de testresultaten.

Er moet ook rekening gehouden worden met kindgebonden en syndroomspecifieke gedragseigenschappen. Zo zijn kinderen met Down vaak koppig, impulsief en hebben ze stemmingswisselingen wat een invloed  heeft op de medewerking tijdens  testen die coöperatie vereisen. Verder zorgt een mentale beperking en een eventueel spraak-taalprobleem ervoor dat de audioloog de test zal moeten aanpassen. Zowel instructies, als de gevraagde handeling van het kind met Down moeten vereenvoudigd worden en op niveau van het individuele kind gebracht worden.

Kinderen met Down gaan van nature ook eerder kijken in plaats van deelnemen. Dit is belangrijk om in het achterhoofd te houden tijdens de keuze van de test. Een actieve test zoals spelaudiometrie is dan ook minder aangeraden dan een test waarbij het kind niets moet doen zoals de ABR-testing.

 

“Gouden standaard”

Helaas is er voor de audioloog geen kant-en-klare test, geen “gouden standaard”. De vorige paragraaf schetst al een aantal factoren waarmee men rekening kan houden, bovendien moet er gekeken worden in welke mate de test kan worden aangepast. Een lijst van de beïnvloedende factoren zou alvast kunnen gebruikt worden door audiologen om de testen vlotter te laten verlopen. Voordat de testing start, kunnen ze de lijst overlopen en eventuele moeilijkheden of problemen voor zijn. In die zin biedt dit werk een eerste aanzet naar het ontwikkelen van een leidraad bruikbaar voor audiologen die betrouwbare metingen bij kinderen met Down willen bekomen.  

 

 

 

 

 

Bibliografie

Cammu, H., Martens, E., Martens, G., Van Mol, C. & Jacquemyn, Y. (2011). Perinatale activiteiten in Vlaanderen 2011 [monografie na onderzoek]. Brussel: vzw Studiecentrum voor Perinatale Epidomologie.

Coppus, T. & Wagemans, A. (2014). De zorg voor volwassenen met downsyndroom. Huisarts & Wetenschap, 57, nr.8, pp. 420-424.

Dieleman, L., De Pauw, S., Soenens, B., Prinzie, P. & Van Hove, G. (2015). Gedragsproblemen en sterktes bij kinderen met Downsyndroom. Kind & Adolescent, 36, pp. 101-118.

Driscoll, C., Kei, J., Hearn, K., Walsh, T. & Swann, S. (2014). Diagnostic accuracy of high-frequency distortion product otoacoustic emission screening of schoolchildren with Down syndrome. Journal of Hearing Science, 14, nr.1, pp. 9-17.

Finoulist, M., Vankrunkelsven, P. & Gyselaers, W. (2013). Zorg voor prematuren op de grens van levensvatbaarheid. Tijdschrift voor geneeskunde, 69, nr.23, pp. 1551-1553.

Gupta, N. & Kabra, M. (2014). Diagnosis and Management of Down Syndrome. Indian Journal of Pediatrics, 81, nr.6, pp. 560-567.

Laws G. & Hall, A. (2014). Early hearing loss and language abilities in children with Down syndrome. International Journal of Language and Communication Disorders, 49, nr.3, pp. 333-342.

Moentjens, B. (2007). Slechthorendheid bij personen met het syndroom van Down: een veldverkenning in Oost-Vlaanderen [eindwerk]. Gent: Hogeschool Gent, departement Vesalius.

Ramia, M., Musharrafieh, U., Khaddage, W. & Sabri, A. (2014). Revisiting Down syndrome from the ENT perspective: review of literature and recommendations. European Archives of  Otorhinolaryngology, 271, pp. 863-869.

Raut, P., Sriram, B., Yeoh, A., Hee, K., Lim, S.B. & Daniel, M. (2011). High Prevalence of Hearing Loss in Down Syndrome at First Year of Life. Annals Academy of Medecine Singapore, 40, pp. 493-498.

Tedeschi, A., Roizen, N., Taylor, G., Murray, G., Curtis, C. & Parikh, A. (2015). The Prevalence of Congenital Hearing Loss in Neonates with Down Syndrome. The Journal of Pediatrics, 166, nr.1, pp. 168-171.

Van Trigt, M., Jüngen, I. & van der Meijden-Meijer, S. (2015). Zorg voor mensen met een verstandelijke beperking: Inleiding in ziektebeelden. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Weijerman, M. (2013). De zorg voor kinderen met downsyndroom. Huisarts & Wetenschap, 56, nr.10, pp. 534-539.

Yoder, P., Woynaroski, T., Fey, M. & Warren, S. (2014). Effects of Dose Frequency of Early Communication Intervention in Young Children with and without Down Syndrome. American Journal on Intellectual and Developmental Disabilities, 119, nr.1, pp. 17-32.

The New York State Department of Health Bureau of Early Intervention (NYSDOH) (2006). Clinical Practice Guideline Report of the Recommendations – Down Syndrome Assessment and Intervention for Young Children (age 0-3 years) [onderzoeksrapport]. New York: NYSDOH.