Ambassadeur Jean de Péricard in Brussel (1616-1621). Een studie van de Frans-Habsburgse betrekkingen ten tijde van de aartshertogen Albrecht en Isabella.

Kevin Dekoster
In mijn scriptie bestudeerde ik de evolutie van de diplomatieke relaties tussen Frankrijk en het aartshertogelijke regime in de Zuidelijke Nederlanden in de periode 1616-1621. Mijn voornaamste informatiebron bestond uit de correspondentie van de in Brussel residerende Franse ambassadeur Jean de Péricard.

Op audiëntie bij de aartshertogen: Franse diplomatie in het zeventiende-eeuwse Brussel

Vraag aan honderd Belgen wanneer hun land voor de eerste maal onafhankelijk werd, en ze zullen u beleefd antwoorden dat de oorsprong van de Belgische natie teruggaat tot de revolutie van 1830. Weinigen zullen u echter kunnen vertellen dat onze gebieden reeds aan het begin van de zeventiende eeuw een korte periode van onafhankelijkheid kenden: in 1598 droeg de Spaanse koning Filips II de toenmalige Zuidelijke Nederlanden immers over aan zijn lievelingsdochter Isabella en haar echtgenoot, de Oostenrijkse aartshertog Albrecht. Op deze manier hoopte hij de opstandige Noordelijke Nederlanden (het huidige Nederland) te verleiden om zich terug met het zuiden te verenigen.

Sinds 1830 hebben talloze historici zich het hoofd gebroken over de aard van het aartshertogelijke regime, dat onze gewesten tot 1621 regeerde. Ging het hier om een vroege voorloper van het huidige België? Of was het slechts een kunstig vermomd Spaans marionettenregime? In mijn scriptie probeerde ik deze kwestie te benaderen van buitenaf. Via een studie van de correspondentie van de Franse ambassadeur Jean de Péricard, die zich in 1616 in Brussel kwam vestigen, wilde ik nagaan hoe men in Frankrijk naar het bewind van de aartshertogen keek en hoe de relaties tussen Brussel en Parijs evolueerden. Aangezien Brussel toen, net zoals vandaag de dag, een belangrijk centrum van de internationale diplomatie was, bood dit onderwerp ook de mogelijkheid om dieper in te gaan op enkele grote politieke kwesties uit deze periode.

Dominante moeders en opstandige edelen

Toen Péricard in september 1616 zijn intrek nam in Brussel, had hij meteen zijn handen vol aan problemen in Frankrijk. De hoge adel kwam in opstand tegen koning Lodewijk XIII en een burgeroorlog dreigde. Gelukkig kon de Franse monarchie rekenen op de steun van de aartshertogen. Aan het begin van de zeventiende eeuw maakte Europa immers een voor die tijd uitzonderlijk vredige periode door. De twee grote rivalen Frankrijk en Spanje begroeven de strijdbijl en sloten in 1615 zelfs een dubbele huwelijksalliantie. Albrecht en Isabella zetten zich hard in voor de vrede en dit leverde hun van Franse kant veel respect op.

De aartshertogen wonnen meteen het vertrouwen van de kersverse Franse ambassadeur door koning Lodewijk onvoorwaardelijk te steunen in de strijd tegen de opstandige adel en zijn dominante moeder, koningin Maria de’ Medici. Zo slaagde hij erin de rebellen te overwinnen. Omdat Lodewijk in de periode 1616-1621 met de ene opstand na de andere geconfronteerd werd, had hij er belang bij om goede relaties te onderhouden met de aartshertogen.

Een ongelijke ruil?

Daarnaast waren de aartshertogen voor Lodewijk echter ook interessant omwille van hun nauwe banden met het hof in Madrid: Isabella was immers de halfzus van koning Filips III. De Franse koning en zijn ambassadeur maakten dan ook handig gebruik van de vredelievende inborst van de aartshertogen om een matigende invloed op de Spaanse buitenlandse politiek uit te oefenen. Indien Frankrijk zich bedreigd voelde door agressieve acties van Spanje, zoals de bezetting van de Valtellina-vallei in Noord-Italië in de zomer van 1620, dan haastte Péricard zich naar de aartshertogen om hun bemiddeling in te roepen.

Kregen de aartshertogen ook iets terug voor deze steun? Bitter weinig als we Péricard mogen geloven. Lodewijk XIII werd teveel in beslag genomen door zijn eigen problemen om iets terug te kunnen doen voor Albrecht en Isabella. Wanneer de neef van Albrecht, keizer Ferdinand II, werd belaagd door opstandelingen in het Duitse Rijk, liet Péricard weten dat Lodewijk XIII moreel aan de kant van de aartshertogen en de keizer stond. In de praktijk hield Frankrijk zich liever afzijdig. Zo liet het de problemen echter aanzienlijk aanslepen. De gruwelijke Dertigjarige Oorlog (1618-1648), op destructief vlak vergelijkbaar met de Tweede Wereldoorlog, was hiervan het voornaamste gevolg.

Daarnaast leken de Fransen ook zeer cynisch te hebben gehandeld in hun verhoudingen met Brussel. Toen men op het einde van 1620 besefte dat Spanje steeds sterker aan het worden was in Duitsland en Italië, kreeg Péricard de opdracht om de verlenging van het Twaalfjarig Bestand (dat de aartshertogen in 1609 met de Noordelijke Nederlanden hadden gesloten) te saboteren. Péricard deed Albrecht en Isabella talloze beloftes van Franse steun indien het opnieuw tot een oorlog zou komen. Eenmaal de Nederlanders lieten weten dat ze oorlog verkozen boven vrede, schoof Frankrijk de uitvoering echter op de lange baan. De aartshertogen, die altijd op goede voet met Lodewijk XIII hadden weten te leven, werden dus het slachtoffer van het diplomatieke steekspel tussen Parijs en Madrid. In zijn brieven liet de meester-diplomaat Péricard blijken dat zelfs hij het moeilijk had met de Franse opstelling in deze kwestie.

Een gemiste kans?

Door de studie van Péricards correspondentie slaagde ik erin om toch wat orde te scheppen in het chaotische beeld dat van de Franse buitenlandse politiek anno 1616-1621 bestond. Lodewijk XIII was in deze periode vooral geïnteresseerd in het herstellen van de interne stabiliteit, en dit gegeven bepaalde compleet de betrekkingen met Brussel. Door goede relaties met de aartshertogen te onderhouden kon men hun steun inroepen tegen rebellen in Frankrijk zelf. Via hun bemiddeling in grote diplomatieke conflicten kon men een rem zetten op de Spaanse ambities zolang Frankrijk niet in staat was om gewapend van zich af te bijten.

Het is dus duidelijk dat het regime van de aartshertogen een belangrijke rol speelde in de ogen van Frankrijk en zeker niet zomaar als een simpele marionet van Spanje werd gezien. Péricard besefte dat de aartshertogen niet zomaar hun zin konden doen op diplomatiek vlak, maar hij zag goed in dat ze over een zekere manoeuvreerruimte beschikten. Toen Albrecht op 13 juli 1621 kinderloos overleed en de Zuidelijke Nederlanden terugkeerden onder de Spaanse Kroon, betreurde Péricard dan ook het einde van de onafhankelijkheid. Deze korte opmerking bewijst, meer dan honderd boeken of scripties zouden kunnen, dat de status van onze gewesten aan het begin van de zeventiende eeuw wel degelijk als een bijzonder experiment werd gezien, een experiment dat de geschiedenis van België een totaal andere wending had kunnen geven.

Bibliografie

Primaire bronnen

 

La Courneuve, Archives du Ministère des Affaires Etrangères, Correspondance Politique Pays-Bas Espagnols et Autrichiens, nr. 5.

Parijs, Bibliothèque Nationale de France, Manuscrits Français

  • nr. 17891: Registres, en grande partie autographes, des dépêches de Henri Brasset, résident en Hollande et secrétaire de diverses ambassades (1616-1624 et 1628-1654). I <<Registre des lettres et despesches que j’ay escrittes durant l’ambassade à Bruxelles de monsieur de Péricard>> (Bruxelles, sept. 1616-mai 1624).
  • nr. 24113: Liste des membres (présidents, conseillers, avocats et procureurs généraux, etc.) du parlement de Rouen.

 

Secundaire bronnen

 

Anderson (A.D.). On the verge of war: international relations and the Jülich-Kleve succession crises (1609-1614). Boston, Humanities Press, 1999, 276 p. (Studies in Central European Histories, 13).

Anderson (M.S.). The rise of modern diplomacy 1450-1919. Londen, Longman, 1993, 320 p.

Barbiche (B.). “Henri IV et l’Europe.” In: Bély (L.), ed. La présence des Bourbons en Europe, XVIe-XXIe siècle. Parijs, Presses Universitaires de France, 2003, pp. 47-57.

Bély (L.). “Les Pays-Bas au carrefour des tensions internationales: le témoignage des envoyés français au temps de l’Infante Isabelle.” In: Revue du Nord, 99 (2008), 4, pp. 657-670.

Bourquin (L.). La noblesse dans la France moderne (XVIe-XVIIIe siècles). Parijs, Belin, 2002, 267 p.

Brightwell (P.). "The Spanish System and the Twelve Years' Truce." In: English Historical Review, 89 (1974), 2, pp. 270-292.

Brightwell (P.). “Spain and Bohemia: The Decision to Intervene, 1619”. In: European Studies Review, 12 (1982), 2, pp. 117-141.

Carroll (S.). Noble Power during the French Wars of Religion: the Guise Affinity and the Catholic Cause in Normandy. Cambridge, Cambridge University Press, 1998, 298 p.

Carter (C.H.). The Secret Diplomacy of the Habsburgs, 1598-1625. New York, Columbia University Press, 1964, 321 p.

Claeys (P.). “De wijze Nederlander: ambassadeur Petrus Peckius te Parijs, 1607-1611.” In: Tijdschrift voor Geschiedenis, 105 (1992), 2, pp. 193-217.

De Lamar (J.). “French diplomacy and the Wars of Religion.” In: Sixteenth Century Journal, 5 (1974), 2, pp. 23-46.

Demoulin (B.).“La Principauté de Liège. Champ clos des rivalités franco-espagnoles (1595-1648).” In: Revue du Nord, 99 (2008), 4, pp. 717-727.

Descimon (R.) & Ruiz Ibanez (J.). Les Ligueurs de l’exil: le refuge catholique français après 1594. Seyssel, Champ Vallon, 2005, 317 p.

Despy-Meyer (A.). “de Boisschot, Ferdinand”. In: Nouvelle Biographie Nationale. Brussel, Académie Royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, vol. 2 (1990), pp. 97-100.

Dewald (J.). The formation of a provincial nobility: the magistrates of the Parlement of Rouen, 1499-1610. Princeton, Princeton University Press, 1980, 402 p.

Dickerman (E.) & Walker (A.). “Les règles du jeu: The Decline and Fall of Sully, 1610-17.” In: European History Quarterly, 37 (2007), 2, pp. 216-241.

Dubost (J.F.). Marie de Médicis: la reine dévoilée. Parijs, Payot, 2009, 1039 p.

Duerloo (L.). “Clearing dynastic debts: Archduke Albert and the logic behind the Oñate Treaty.” In: Martínez Millán (J.) & González Cuerva (R.), eds. La Dinastía de los Austria. Las relaciones entre la Monarquia Catolica y el Imperio. Madrid, Polifemo, vol. 1 (2011), pp. 533-550.

Duerloo (L.). Dynasty and piety: Archduke Albert (1598-1621) and Habsburg political culture in an age of religious wars. Farnham, Ashgate, 2012, 592 p.

Echevarria Bacigalupe (M.A.). “Espionnage à la cour de Bruxelles.” In: Duerloo (L.) & Thomas (W.), eds. Albert & Isabella 1598-1621. Essays. Turnhout, Brepols, 1998, pp. 93-97.

Elliott (J.H.). “A question of reputation? Spanish foreign policy in the seventeenth century.” In: The Journal of modern history, 55 (1983), 3, pp. 475-483.

Floquet (A.). Histoire du Parlement de Normandie. Rouen, Edouard Frère, vol. 2 & 3 (1840-1841), 614 p. + 644 p.

González Cuerva (R.). Baltasar de Zúñiga: una encrucijada de la monarquía hispana (1561-1622). Madrid, Polifemo, 2012, 638 p. (La Corte en Europa, 9).

Greengrass (M.). France in the age of Henri IV: the struggle for stability. Londen, Longman, 1984, 237 p.

Hayden (J.M.). “Continuity in the France of Henry IV and Louis XIII: French foreign policy, 1598-1615.” In: The Journal of Modern History, 45 (1973), 1, pp. 1-23.

Holt (M.P.). The French wars of religion, 1562-1629. Cambridge, Cambridge University Press, 1997, 239 p.

Hugon (A.). Au service du Roi Catholique. “Honorables ambassadeurs” et “divins espions”. Représentation diplomatique et service secret dans les relations hispano-françaises de 1598 à 1635. Madrid, Casa de Velázquez, 2004, 700 p.

Kettering (S.). Power and reputation at the court of Louis XIII: the career of Charles d’Albert, Duc de Luynes (1578-1621). Manchester, Manchester University Press, 2008, 265 p.

Kleinman (R.). “Charles-Emmanuel I of Savoy and the Bohemian Election of 1619.” In: European Studies Review, 5 (1975), 1, pp. 3-29.

Lanoye (D.). “Structure and Composition of the Household of the Archdukes.” In: Duerloo (L.) & Thomas (W.), eds. Albert & Isabella 1598-1621. Essays. Turnhout, Brepols, 1998, pp. 107-119.

Lefèvre (J.). “Melun, Guillaume de, Prince d’Epinoy.” In: Biographie Nationale. Brussel, Etablissements Emile Bruylant, vol. 30 (1958), kol. 572-575.

Le Roy (A.). “Ferdinand de Bavière.” In: Biographie Nationale. Brussel, Bruylant-Christophe et Cie, vol. 7 (1883), kol. 12-30.

Martyn (G.). “How sovereign were the Southern Netherlands under the Archdukes?” In: Lesaffer (R.), ed. The Twelve Years Truce (1609). Peace, war and law in the Low Countries at the turn of the 17th century. Leiden, Brill, 2014, pp. 196-209.

Merlotti (A.). “Politique dynastique et alliances matrimoniales de la Maison de Savoie au XVIIe siècle.” In: Dix-septième siècle, 61 (2009), 2, pp. 239-255.

Ottenheym (K.). “The Catholic Nassaus in Brussels and Their Buildings.” In: Duerloo (L.) & Thomas (W.), eds. Albert & Isabella 1598-1621. Essays. Turnhout, Brepols, 1998, pp. 185-190.

Petitfils (J.C.). Louis XIII. Parijs, Perrin, 2008, 970 p.

Raeymaekers (D.). “The ‘Gran Privado’ of Archduke Albert, Rodrigo Niño y Lasso, Count of Añover (ca. 1560-1620).” In: Vermeir (R.), Ebben (M.) & Fagel (R.), eds. Agentes e identidades en movimiento: España y los Países Bajos. Siglos XVI-XVIII. Madrid, Silex, 2011, pp. 129-149.

Rothenburg (G.). “Venice and the Uskoks of Senj: 1537-1618.” In: The Journal of Modern History, 33 (1961), 2, pp. 148-156.

Schutte (O.). Repertorium der Buitenlandse Vertegenwoordigers, residerende in Nederland 1584-1810. Den Haag, Martinus Nijhoff, 1983, 822 p.

Sutherland (N.M.). “The origins of the Thirty Years War and the structure of European politics.” In: The English Historical Review, 107 (1992), 3, pp. 587-625.

Thomas (C.). “Les ‘ambassades’ flamandes dans les cours européennes (1598-1621): une reconnaissance de souveraineté? Le cas des négociations du traité de Londres de 1604.” In: Revue du Nord, 99 (2008), 4, pp. 687-700.

Thomas (W.). “Andromeda Unbound. The Reign of Albert & Isabella in the Southern Netherlands, 1598-1621.” In: Duerloo (L.) & Thomas (W.), eds. Albert & Isabella 1598-1621. Essays. Turnhout, Brepols, 1998, pp. 1-14.

Tytgat (J.). Ferdinand De Boisschot, een ambassadeur van de aartshertogen te Parijs, 1617-1620. Gent (onuitgegeven licentiaatsverhandeling Universiteit Gent), 2009, 150 p. (promotor: R. Vermeir).

Van Deursen (A.TH.). Maurits van Nassau 1567-1625: de winnaar die faalde. Amsterdam, Bert Bakker, 2000, 332 p.

Van Honacker (K.). “Reorganisatie in Brussel of de strijd om de privileges. Het conflict tussen de ambachten en de aartshertogen van 1619.” In: Bijdragen tot de Geschiedenis, 73 (1990), 3-4, pp. 299-313.

Verbeek (T.). “Brasset, Henri (1591-?).” In: Ariew (R.), Des Chene (D.), Jesseph (D.), Schmaltz (T.) & Verbeek (T.), eds. Historical Dictionary of Descartes and Cartesian Philosophy. Lanham, Rowman & Littlefield, 2015, p. 56.

Vermeir (R.). “Oorloghsvloeck en Vredens Zegen. Madrid, Brussel en de Zuid-Nederlandse Staten over oorlog en vrede met de Republiek, 1621-1648.” In: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 115 (2000), 1, pp. 1-32.

Vermeir (R.). “De eeuw van Habsburg.” In: Vermeir (R.), ed. Een inleiding tot de geschiedenis van de Vroegmoderne Tijd. Wommelgem, Van In, 2012, pp. 23-55.

Wilson (P.H.). Europe’s Tragedy: a history of the Thirty Years War. Londen, Allen Lane, 2009, 996 p.

Zaller (R.). “Interest of State: James I and the Palatinate.” In: Albion: A Quarterly Journal Concerned with British Studies, 6 (1974), 2, pp. 144-175.

Universiteit of Hogeschool
Master in de Geschiedenis
Publicatiejaar
2016
Promotor(en)
René Vermeir
Kernwoorden
Share this on: