Historisch-kritische deeleditie van Grillige Kathleen (1966) - René Gysen

Ineke Hugelier
De tekstgenese van Grillige Kathleen (1966) – René GysenDe Vlaamse schrijver René Gysen (1927-1969) publiceert drie jaar voor zijn overlijden een laatste boek met als titel Grillige Kathleen. Hoewel Gysen en Grillige Kathleen eind jaren zestig relatieve bekendheid verwierven in kringen van experimentele dichters en prozaïsten, is deze roman vandaag helemaal vergeten. Grillige Kathleen biedt de onderzoeker een schatkist aan verhaaltechnische experimenten.

Historisch-kritische deeleditie van Grillige Kathleen (1966) - René Gysen

De tekstgenese van Grillige Kathleen (1966) – René Gysen

De Vlaamse schrijver René Gysen (1927-1969) publiceert drie jaar voor zijn overlijden een laatste boek met als titel Grillige Kathleen. Hoewel Gysen en Grillige Kathleen eind jaren zestig relatieve bekendheid verwierven in kringen van experimentele dichters en prozaïsten, is deze roman vandaag helemaal vergeten. Grillige Kathleen biedt de onderzoeker een schatkist aan verhaaltechnische experimenten. Voor mijn scriptie nam ik vanuit narratologisch perspectief enkele bijzonderheden van dit boek onder de loep aan de hand van de resultaten van het tekstgenetische onderzoek. Met behulp van archivalia in de literaire nalatenschap van Gysen (Letterenhuis, Antwerpen) (re)construeerde ik Gysens schrijfproces. Het onderzoek van verschillende tekstversies leverde een omvangrijk variantenapparaat op, waarin alle wijzigingen, emendaties en toevoegingen op woordniveau zijn opgetekend.

Het tekstgenetische onderzoek levert in twee opzichten gegevens die de compositie van Grillige Kathleen bepalen. Eerst wordt duidelijk dat Gysen wellicht geen roman voor ogen had bij het schrijven van de eerste hoofdstukken. Grillige Kathleen is het resultaat van het samengaan van verschillende, afzonderlijk geschreven teksten die Gysen in de jaren zestig ontwierp. Daarnaast worden op basis van het variantenapparaat narratieve technieken zichtbaar waarmee Gysen de oorspronkelijk relatief traditionele teksten bewerkte tot een experimentele schriftuur. Grillige Kathleen behoort tot de avant-gardeliteratuur van de jaren zestig die de traditionele roman (met als basisprincipes continuïteit, narrativiteit en fictionaliteit) ter discussie stelt. In het boek lopen de fictionele en de reële wereld door elkaar als de auteur Gysen het woord neemt. In tegenstelling tot de traditionele roman vertelt Grillige Kathleen geen samenhangend verhaal. In plaats daarvan belichten de zeven hoofdstukken, die steeds andere personages en vertellers ten tonele voeren, op uiteenlopende wijzen het thema van de onontkoombare veroudering van de mens. Een opmerkelijke casus is het vijfde hoofdstuk ‘The Birds Kathleen Geraldine Light Neon Town Sez O-Kay’. Dit hoofdstuk heeft immers een brugfunctie tussen de “zuiver fictionele” eerste vier hoofdstukken en de twee laatste teksten in het boek, meer bepaald het autobiografische ‘De Herinnering’ en het essay ‘Nabokov’s Lolita Syndroom’.

Dit hoofdstuk is voor mijn onderzoeksvraag belangwekkend omdat Gysen een camerastandpunt hanteert. Wat een personage waarneemt, is niet verteld maar wordt getoond zonder tussenkomst van een verteller. In de verschillende overgeleverde manuscripten is te zien hoe Gysen de personages stelselmatig minder het woord verleent en steeds meer afstandelijke beschrijvingen presenteert van wat zij waarnemen. De manier waarop dit waarnemen geformuleerd is, verandert ook drastisch doorheen het schrijfproces: in plaats van een verhalende stijl te hanteren (zoals in ‘Vragende blik op de prijskaartjes. Hee, stoot zo niet, kom, we gaan verder.’), opteert Gysen geleidelijk voor een bondige staccatostijl (‘Vraagblik, toetmond. Prijskaartjes. Daar. Kom.’). Vervolgens heeft Gysen in één van de laatste schrijffasen tussentitels toegevoegd die evengoed deel kunnen uitmaken van een filmscript. De louter registrerende tussentitels (zoals ‘Wachten op de tram’ en ‘Voor het uitstalraam’) expliciteren de verschillende episodes in de wandeling die de zussen Kathleen en Geraldine in dit hoofdstuk maken. Tot slot incorporeerde Gysen ook readymades of objects trouvés in dit vijfde hoofdstuk, objecten uit de alledaagse realiteit die onbewerkt in het literaire werk opgenomen zijn. Zo bootst Gysen geluiden na in plaats van ze te beschrijven: de zin ‘rond het standbeeld van Rubens liepen en joelden de kinderen’ is in een latere versie gewijzigd in een korte registratie: ‘kinderen, hoe-hoe’. Naast geluiden zijn ook winkelreclames zoals ‘NIEUWE LENTES NIEUWE MODES’ en zelfs een liftpaneel en lichtreclame geïmiteerd.

Het tekstgenetische onderzoek reveleert niet enkel de wijze waarop Gysen het camerastandpunt steeds verder uitwerkt. Ook de manier waarop de vertelsituatie in het vijfde hoofdstuk van Grillige Kathleen tot stand komt, kan gereconstrueerd worden aan de hand van het variantenapparaat. Dit hoofdstuk is vormgegeven als een film waarbij een alwetende verteller als het ware boven het verhaal zweeft en commentaar levert bij wat de waarnemer, het hoofdpersonage François Minne, ziet. Wat deze verteller bijzonder maakt, is dat de lezer moeilijk kan onderscheiden welke passages commentaar van de verteller omvatten, en welke de gedachten van het waarnemend personage Minne weergeven. Enkel op basis van subtiele verschillen in de zegswijze en het onderwerp van de uitspraken kan de lezer een onderscheid maken tussen deze twee stemmen. Gysen heeft tijdens het schrijfproces de formulering op dusdanige wijze aangepast dat het voor de aandachtige lezer duidelijk is wat als waarneming of gedachte van Minne gelezen moet worden en wat geldt als een (meta-)commentaar van de alwetende verteller. Zo zijn de commentaargedeelten meer verhalend in vergelijking met de staccatostijl die aangewend is om François’ waarnemingen weer te geven. Tegelijkertijd maakt Gysen het de lezer niet makkelijk door opvallend veel geometrische figuren te verwerken in de beschrijving van de stad door François’ ogen. Die wetenschappelijke stijl is typisch voor de beschouwingen van de alwetende verteller en vertroebelt opnieuw de grens tussen François en de alwetende vertelinstantie.

Het variantenapparaat levert echter niet alleen waardevolle informatie op over het vijfde hoofdstuk maar ook voor de andere hoofdstukken in Grillige Kathleen is het tekstgenetische onderzoek relevant. Door de verschillende stadia in de tekstgeschiedenis van het boek te bestuderen, is meer inzicht ontstaan in de complexe structuur van Grillige Kathleen, die initieel niet ten grondslag lag aan de tekst.

Bibliografie

Primaire literatuur 

Artikels in tijdschriften of boeken

Gysen 1955

            René Gysen, ‘Die aan de overkant’, in: Gard Sivik 1 (1955) 3, 28-37.

Gysen 1959

            René Gysen, ‘Pour la forme. Een boek van Asger Jorn’, in: Gard Sivik 4 (1959) 14, 43-48.

Gysen 1964

            René Gysen, ‘A.D. 1964’, in: Gard Sivik 7 (1964) 33, 11-12.

Gysen 1965

            René Gysen, ‘Nota’s voor blanke alleen (een onvoltooid werk)’, in: Komma 1 (1965) 1, 27-            32.

Gysen 1967a

            René Gysen, ‘Langs een kronkelend pad met aarzelend licht aan de einder’, in: Vijf            geloofsbrieven [boekaflevering] Komma 2 (1967) 5 (maart), 26-48.

Gysen 1967b

            René Gysen, ‘Nieuwe spelling en gekrenkte auteurstrots’, in: Yang 21 (1967), 15.

Gysen 1968a

            René Gysen, ‘Develings einde van de roman’, in: Komma 3 (1968) 4, 51-68.

Gysen 1968b

            René Gysen, ‘Grote lijnen van het nieuwe Vlaamse proza’, in: De Vlaamse Gids 52 (1968) 7            (juli), 18-20.

Gysen 1969

            René Gysen, ‘Romanproblemen’, in: Komma 4 (1969) 3 (maart), 54-62.

Boeken

Gysen 1961

            René Gysen, De slecht befaamde Markies de Sade. Amsterdam, Uitgeverij Heijnis, 1961.

Gysen 1966

René Gysen, Grillige Kathleen. ’s-Gravenhage-Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar, Nieuwe  Nijgh Boeken 15, s.d. [oktober 1966].

Secundaire literatuur

Artikels in tijdschriften of boeken

Adé 1976

            Georges Adé, ‘René Gysen tussen realisme en mythologie’, in: Jeugd en Cultuur 21 (1976) 8,            371-384.

Anbeek 1999

            Ton Anbeek, ‘Huiskamer of bibliotheek. Proza tussen 1960 en 1985’, in: Ton Anbeek,            Geschiedenis van de literatuur in Nederland, 1885-1985. Amsterdam/Antwerpen, De            Arbeiderspers, 1999, 218-237. Tevens beschikbaar op de DBNL:

            http://www.dbnl.org/tekst/anbe001gesc03_01/anbe001gesc03_01_0013.php

Beurskens 1985

            Huub Beurskens, ‘Schrijven voor de dood’, in: Heibel 19 (1985), 3-13.

Claeys 1966

            Herman J. Claeys, ‘René Gysen’, in: Herman J. Claeys, Wat is links. Brugge, J. Sonneville,            1966, 95-100.

Claus 1969

            Hugo Claus, ‘René Gysen e.a.’, in: Vooruit (10 december 1969). Beschikbaar via:

            http://dighum.uantwerpen.be/claus/html/1969-12-06_claus_vooruit.html

De Wispelaere 1970

            Paul de Wispelaere, ‘René Gysen of het gevecht met de realiteit’, in: Over René Gysen [Nieuwe            Nijgh Boeken 29]. Den Haag, Nijgh & Van Ditmar, 1970, 26-42.

De Wispelaere 2011

            Paul De Wispelaere, ‘Belangrijk proza van René Gysen’, in: Bart Vervaeck (red.), De moderne            roman. Gent, Academia Press, 2011.

De Vree 1967

            Paul de Vree, ‘Tussen destalinisatie en depacellisatie’, in: De periscoop 17 (1967) 5 (maart), 4.

Dubois 1969

            Pierre H. Dubois, ‘Kroniek der Nederlandse Letteren IV’, in: Standpunte 23 (oktober 1969)            1 [= nr. 85], 56-62.

Flamend 2003

            Jan Flamend, ‘De grilligheid van Kathleen’, in: Editie Jan Flamend, Grillige Kathleen.            Antwerpen, Uitgeverij Houtekiet, 2003.

Genette 1991

            Gérard Genette & Marie Maclean, ‘Introduction to the Paratext’, in: New Literary History 22            (1991) 2, 261-272.

Janssen 2002

            An Janssen, ‘René zal blijven leven! Het archief van René Gysen’, in: Zuurvrij 2 (juni 2002),            39-43.

Mededelingen van de documentatiedienst 2009

            s.n., ‘René Gysen’, in: Mededelingen van de Documentatiedienst Nederlands Letterkundig Museum            en Documentatiecentrum, Den Haag / Archief en Museum voor het Vlaams Cultuurleven, Antwerpen            1954-1992. Tevens beschikbaar op de DBNL:

            http://www.dbnl.org/tekst/_med003mede01_01/_med003mede01_01_0304.php#a096            [geraadpleegd op 24 oktober 2014].

Plachta 2007

            Bodo Plachta, ‘Mehr als Buchgestaltung. Editorische Anmerkungen zu            Ausstattungselementen des Buches’, in: Editio. Tübungen, Niemeyer Verlag, 2007, 133-150.

Polis 2002

            Harold Polis, ‘Afscheid van de nieuwe mens. Vlaamse zaken in de jaren zestig: een kwestie            van engagement’, in: Yang 38 (2002) 2 (juli), 301-313.

Roggeman 1981

            Willy Roggeman, ‘René Gysen: op weg naar Xing’, in: Willy Roggeman, Glazuur op niets.            Antwerpen, Elsevier/Manteau, 1981, 145-158.

Teirlinck 1961

            Herman Teirlinck, ‘Over Vladimir Nabokov en zijn Lolita’, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift 15            (1961) 5, 606-618.

Van Aken 1967

            Piet van Aken, ‘Agenda van een heidens lezer’, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift 20 (1967) 21            (februari), 166-181.

Van Assche 1970

            Hilda Van Assche, ‘Bibliografie’, in: Over René Gysen [Nieuwe Nijgh Boeken 29]. Den Haag,            Nijgh & Van Ditmar, 1970, 100-162.

Van der Waal 1997

            Henk van der Waal, ‘Singuliere afwezigheid of het verdwijnpunt van L’Attente l’oubli’, in:            Annelies Schulte Nordholt, Laurens ten Kate & Frank Vande Veire (red.), Het wakende            woord. Literatuur, ethiek en politiek bij Maurice Blanchot. Nijmegen, Uitgeverij SUN, 1997.

Vervaeck 2006

            Bart Vervaeck, ‘Vlaams experimenteel proza in de jaren vijftig’, in: Spiegel der Letteren 48            (2006) 4, 403-426.

Vervaeck 2014

            Bart Vervaeck, ‘Genre in verandering. Vernieuwingen in de naoorlogse Nederlandstalige            roman’, in: Spiegel der Letteren 56 (2014) 1, 51-83.

Boeken

Aarts 2012

            C.J. Aarts, 175 jaar Nijgh & Van Ditmar. Nimmer dralend 1837-2012. Amsterdam, Nijgh &            Van Ditmar, 2012.

Anbeek e.a. 1993

            Ton Anbeek, Willem Van den Berg & Maria A Schenkeveld-van der Dussen, Nederlandse            literatuur, een geschiedenis. Groningen, Nijhoff, 1993.

Buelens 2001

            Geert Buelens, Van Ostaijen tot heden. Antwerpen, Uitgeverij Vantilt, 2001.

Brems 2013

            Hugo Brems, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-            2005. Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker, 2013.

Gils e.a. 1970

            Gust Gils e.a., Over René Gysen [Nieuwe Nijgh Boeken 29]. Den Haag, Nijgh & Van Ditmar,            1970.

Gils & Schierbeek 1971

            Gust Gils & Bert Schierbeek, Meesters der Nederlandse vertelkunst na 1945. Amsterdam,            Meulenhoff Nederland, 1971.

Herman & Vervaeck 2009

            Luc Herman & Bart Vervaeck, Vertelduivels. Handboek verhaalanalyse. Antwerpen, Uitgeverij            Vantilt, 2009.

Janssens e.a. 1988

            Marcel Janssens e.a. (red.), Geboekstaafd. Vlaamse prozaschrijvers na 1945. Leuven,            Davidsfonds, 1988.

Kuitert 1997

            Lisa Kuitert, Het uiterlijk behang: reeksen in de Nederlandse literatuur 1945-1996. Amsterdam,            De Bezige Bij, 1997.

Lissens e.a. 1986

            René Felix Lissens e.a., Winkler Prins lexicon van de Nederlandse letterkunde: auteurs, anonieme            werken, periodieken. Amsterdam, Elsevier, 1986.

Rens 1971

            Lieven Rens, Acht eeuwen Nederlandse Letteren. Van Van Veldeke tot vandaag. Antwerpen,            Uitgeverij De Nederlandse Boekhandel, 1971.

Sicking 1986

            J.M.J. Sicking, Podium 1944-1969. Bibliografische beschrijving, analytische inhoudsopgave,            index [deel 6 van de reeks ‘Literaire Tijdschriften in Nederland’]. Nieuwkoop, 1986.

 

Van Aken 1979

            Paul van Aken, Letterwijs, letterwijzer. Een overzicht van de Nederlandse literatuur.            Brussel/Amsterdam: Manteau, 1979.

Editietechnisch commentaar

Jansen 1996

            Leo Jansen, Wiekslag om de kim. Karel Van de Woestijne. Assen, Van Gorcum, 1996.

Mathijsen 2010            Marita Mathijsen, Naar de letter. Handboek editiewetenschap. Amsterdam, KNAW Press, 2010.

Nijhoff 1996

            De gedichten. Editie W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn. Assen, Van Gorcum, 1993.

Van Hulle 2007

            Dirk van Hulle, De kladbewaarders. Nijmegen, Uitgeverij Vantilt, 2007.

Van Melle 2007            Liesbeth Van Melle, Geen woorden duren zoals het marmer. Historisch-kritische editie van Elias of            het gevecht met de nachtegalen en Winter te Antwerpen van Maurice Gilliams. Gent            [onuitgegeven proefschrift], 2007.

 

Universiteit of Hogeschool
Taal- en letterkunde: Nederlands-Engels
Publicatiejaar
2015
Kernwoorden
Share this on: