De Lagko: een kritische kijk op de vragenlijst

Greet Leduc
Persbericht

De Lagko: een kritische kijk op de vragenlijst

Een waarschuwingslabel voor opvoedingsvragenlijsten?
 
 
Het opvoeden van kinderen staat tegenwoordig vaak in de belangstelling: er verschijnen heel wat boeken over en ook op televisie zijn er verschillende programma’s die hier aandacht aan besteden. Toch is niemand het eens over wat nu precies het opvoeden van kinderen inhoudt.
Om meer zicht te krijgen op wat ouders beleven en ervaren bij het opvoeden van hun kind, leggen hulpverleners vaak vragenlijsten voor aan ouders. Zo proberen hulpverleners enerzijds de (vaak problematische) thuissituatie beter in beeld te brengen. Anderzijds beschouwen vele hulpverleners een vragenlijst als een middel om opvattingen van ouders, rond het opvoeden van kinderen, te verhelderen.
Maar bezorgen dergelijke vragenlijsten wel juiste informatie aan hulpverleners? Zijn deze vragenlijsten wel nauwkeurig genoeg opgesteld?
 
Om een antwoord te vinden op deze vragen, werd een onderzoek uitgevoerd naar de waarde van opvoedingsvragenlijsten. Concreet werd één specifieke vragenlijst kritisch onder de loep genomen. Het betrof de Lijst met Aandachtsvelden voor Gedrag bij het Kind volgens de Ouder/Opvoeder, kortweg Lagko, die in 2003 door Weterings en van den Bergh werd uitgebracht.
De Lagko is een vragenlijst die interactieproblemen tussen ouders en hun kind opspoort. Meer specifiek kan deze vragenlijst toegepast worden in gezinnen met kinderen tussen één en vijftien jaar. De Lagko bestaat uit 110 omschrijvingen van gedrag dat een kind kan vertonen in de dagelijkse omgang met zijn ouders. Grotendeels zijn het omschrijvingen van gedragsproblemen. Naarmate ouders aangeven dat een dergelijk probleem voorkomt, kunnen we stellen dat zij (de omgang met) hun kind ook als moeilijker zullen ervaren. Na het invullen van de vragenlijst en berekening van de overeenkomstige scores, wordt een cijfer bekomen dat aangeeft in welke mate het gezin nood heeft aan opvoedingshulp.
 
Oorspronkelijk is de Lagko één van de onderdelen uit het Pedagogisch SignaleringsInstrumentarium, een verzameling van verschillende vragenlijsten die nagaan op welke specifieke domeinen ouders moeilijkheden ervaren bij het opvoeden van hun kind. Toch bleek, bij toepassing van het gehele Pedagogisch SignaleringsInstrumentarium, het steeds de vragenlijst ‘Lagko’ te zijn die duidelijke aanwijzingen gaf voor de invulling van opvoedingshulp. De praktijk van de jeugdhulpverlening maande dan ook aan tot het uitbrengen van de Lagko als afzonderlijke vragenlijst, los van het Pedagogisch SignaleringsInstrumentarium.
Een blik op de bestaande literatuur, maakt duidelijk dat de Lagko nog maar weinig bekend is in de wereld van de jeugdhulpverlening. Deze vaststelling vormde dan ook de aanzet tot nader onderzoek van de inhoud van deze vragenlijst.
 
Hechtingstheorie of niet?

In de handleiding van de Lagko is te lezen dat deze vragenlijst gebaseerd is op de hechtingstheorie. Deze theorie beschrijft dat er rond de leeftijd van zes maanden een zorgende en blijvende band ontstaat tussen de baby en één of meerdere volwassenen, meestal de moeder. Deze hechting is cruciaal voor de verdere ontwikkeling van de baby. Maar waar kunnen we in de Lagko een link vinden met deze hechtingstheorie?
In de naam van de vragenlijst zelf, Lijst met Aandachtsvelden voor Gedrag bij het Kind volgens de Ouder/Opvoeder, wordt immers gesproken over gedrag en is er niets dat rechtstreeks verwijst naar hechting. Is de Lagko dan niet eerder een vragenlijst over gedragsproblemen?
Daarnaast wordt de Lagko ook omschreven als een vragenlijst die peilt naar interactieproblemen tussen ouders en hun kind, hoewel de hechtingstheorie de achtergrond van deze vragenlijst betreft. We kunnen ons dus opnieuw afvragen of de Lagko niet eerder een vragenlijst is rond gedragsproblemen? Want hechting kán wel een rol spelen in interactieproblemen tussen een kind en zijn ouders. Maar we veronderstellen dat er daarnaast ook andere factoren, zoals het gedrag van het kind, bepalen of de interactie tussen het kind en zijn ouders al dan niet slaagt.
 
Wanneer de 110 items van de Lagko naast de hechtingstheorie gelegd worden, dan kunnen we besluiten dat het merendeel van de items in verband te brengen is met de hechtingstheorie. Toch merken we op dat niet álle items aan de hechtingstheorie te koppelen zijn. Bovendien kan van bepaalde items niet gezegd worden dat ze uitsluítend met hechting te maken hebben. Het gaat dan meer bepaald over items die extreem gedrag (bijvoorbeeld stelen) weergeven, waarvan mogelijk andere dan hechtingsproblemen de oorzaak zijn.
Een inhoudelijke vergelijking van de Lagko met twee andere hechtingsvragenlijsten doet ons besluiten dat er meer gelijkenissen met de Lagko te vinden zijn dan op het eerste zicht van deze vragenlijst verwacht werd. Toch blijven er opnieuw enkele items van de Lagko over waarvoor in geen van beide vergelijkende vragenlijsten een gelijke gevonden wordt.
 
Om na te gaan of de telkens resterende items dan wel thuishoren in de Lagko vulden 417 leerlingen uit de tweede en derde graad van het gewone basisonderwijs, en hun ouders, drie vragenlijsten in: (1) de Lagko, (2) een expliciete hechtingsvragenlijst en (3) een gedragsvragenlijst.
Bij het bestuderen van de resultaten van dit onderzoek valt onmiddellijk de geringe samenhang tussen de Lagko en de hechtingsvragenlijst op. Beide vragenlijsten zijn, in theorie, nochtans op hetzelfde concept gebaseerd.
Wat betreft de samenhang van de Lagko met de gedragsvragenlijst, gingen we er vanuit dat er een beperkte samenhang gevonden zou worden. We verwachten een beperkte samenhang en niet een totale afwezigheid van samenhang, omdat we veronderstellen dat gedragsproblemen van invloed zijn op de hechtingsrelatie en de omgang tussen het kind en zijn ouders. In tegenstelling tot deze verwachting, troffen we een sterke samenhang aan tussen de Lagko en de gedragsvragenlijst.
 
We kunnen op basis van het uitgevoerde onderzoek dan ook besluiten dat de hechtingstheorie als achterliggende theorie hoogstwaarschijnlijk geschikt is voor het Pedagogisch SignaleringsInstrumentarium in zijn geheel. Dit theoretisch kader blijkt echter tegenstrijdigheden te vertonen wanneer de Lagko los van het Pedagogisch SignaleringsInstrumentarium uitgebracht wordt. Bijgevolg kunnen we ons afvragen of voor de Lagko als afzonderlijke vragenlijst geen uitgebreider theoretisch kader noodzakelijk is.
Op basis van onze studie suggereren we dat de Lagko, zoals oorspronkelijk, binnen het meer omvangrijke Pedagogisch SignaleringsInstrumentarium blijft. Wil men de Lagko toch als afzonderlijke vragenlijst behouden, los van het Pedagogisch SignaleringsInstrumentarium, dan is het aangeraden het theoretisch kader van de Lagko aan te passen en uit te breiden. Meer concreet zou het theoretisch kader, bestaande uit de hechtingstheorie, verder aangevuld kunnen worden met aspecten uit theorieën over gedragsproblemen.
 
Waarschuwingslabel

Tenslotte moeten we ons vragen stellen bij het gebruik van vragenlijsten voor het opsporen van (opvoedings)problemen in gezinnen. Vragenlijsten moeten immers zo opgesteld zijn dat ze met hun items het achterliggende theoretische kader volledig omvatten. Dit is voor auteurs van vragenlijsten bijna een onmogelijke opdracht. Een tweede probleem betreft het feit dat items uit vragenlijsten verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden door de persoon die de vragenlijst invult. Hierdoor wordt de uitkomst van de vragenlijst minder nauwkeurig. Tot slot zijn opvoedingsproblemen vaak zo complex, dat ze niet in items voor een vragenlijst te gieten zijn.
Het is van groot belang dat een hulpverlener zich van dit alles bewust is wanneer hij een vragenlijst voorlegt aan ouders. Door een combinatie van verschillende methoden (zoals observatie, vragenlijst, interview) en verschillende informatiebronnen (zoals ouders, andere familieleden, vrienden) te gebruiken, zal de hulpverlener over veel betrouwbaardere informatie beschikken. Bijgevolg zal hij ook zijn hulp specifieker op het probleem van de ouders kunnen toespitsen.
 

Bibliografie

Bibliografie
 
 
Bretherton, I. (1992). The origins of attachment theory: John Bowlby and Mary Ainsworth. Developmental Psychology, 28 (5), 759-775.
 
Bowlby, J. (1969). Attachment and loss. Volume I: Attachment. New York: Basic Books.
 
Conceiçao, J., & van Steenis, M.J. (2006). Allochtone kinderen in Nederlandse pleeggezinnen. Mobiel, 1 – februari/maart. Afgehaald van het WWW op 31 maart 2007: http://www.mobiel-pleegzorg.nl/archief/2006/mo06121.htm
 
Cuyvers, S. (2005). De relatie tussen hechtingsproblemen van pleegkinderen en interactieproblemen met pleegouders.Niet-gepubliceerde licentiaatsverhandeling Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Leuven.
 
De Munter, A. (2004). Vraagstukken. Methoden van onderzoek in de pedagogische wetenschappen: empirisch-analytische methoden m.i.v. statistiek. Leuven: Acco.
 
Debosscher, G. (2004). Hechting onder druk: gehechtheid bij kinderen met een genetisch syndroom: een exploratief onderzoek. Niet-gepubliceerde licentiaatsverhandeling Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Leuven.
 
Dierick, M., Van den Noortgate, W., & Onghena, P. (2002). Introductie in SAS.Leuven: Acco.
 
Dwyer, K.M. (2005). The meaning and measurement of attachment in middle and late childhood. Human Development, 48, 155-182.
 
 
Goodman, R. (2000). Sterke kanten en moeilijkheden: Vragenlijst voor ouders of leerkracht (SDQ-Dut). Afgehaald van het WWW op 8 december 2005:
http://www.sdqinfo.com/questionnaires/dutch/n1.pdf
 
Harter, S. (1982). The perceived competence scale for children. Child Development, 53, 87-97.
 
Hermanns, J. (1995). Opvoedingsondersteuning: een poging tot wetenschappelijke en maatschappelijke legitimering. In: H. Haerden & D. Janssen (Red.), Pedagogische preventie: een antwoord op kansarmoede? (pp. 17-34). Leuven: Garant.
 
Janssens, J.M.A.M. (1983). “-Ogen” doen onderzoek: een inleiding in de methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Lisse: Swets & Zeitlinger.
 
Juffer, F, van IJzendoorn, M.H., & Duyvesteyn, M.G.C. (1994). Opvoedingsondersteuning en intergenerationele overdracht van gehechtheid: Een overzicht van interventiestudies. Kind en Adolescent, 15 (4), 204-221.
 
Kerns, K., Klepac, L., & Cole, A. (1996). Peer relationships and preadolescents' perceptions of security in the child-mother relationship. Developmental Psychology, 32 (3), 457-466.
 
Kerns, K.A., Schlegelmilch, A., Morgan, T.A., & Abraham, M.M. (2005). Assessing attachment in middle childhood. In: K.A. Kerns & R.A. Richardson, Attachment in middle childhood. (pp. 46-70). New York: Guilford Press.
 
Kerns, K.A., Tomich, P.L., Aspelmeier, J.E., & Contreras, J.M. (2000). Attachment based assessments of parent-child relationships in middle childhood. Developmental Psychology, 36 (5), 614-626.
 
Landelijke werkgroep Signaleringsinstrumenten Psychosociale Problematiek Jeugd (LSPPJ) van GGD Nederland (2006). Handleiding voor het gebruik van de SDQ binnen de jeugdgezondheidszorg. Afgehaald van het WWW op 25 mei 2006:
http://www.ggd.nl/kennisnet/uploaddb/downl_object.asp?atoom=35285&VolgN…
 
Marcoen, A. (2002).  Ontwikkelingspsychologie. Boekdeel 1. Leuven: Acco.
 
Muris, P., Meesters, C., & van den Bergh, F. (2003). The Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ). Further evidence for its reliability and validity in a community sample of Dutch children and adolescents. European Child and Adolescent Psychiatry, 12, 1-8.
 
Nys, K., Snoeck, G., & Vandemeulebroecke, L. (2002). Opvoedingsondersteuning als pedagogisch en maatschappelijk project. Welzijnsgids, Afl. 45, 25-39.
 
O’Connor, T.G., & Zeanah, C.H. (2005). Hechtingsstoornissen: diagnose en behandelingsmogelijkheden. Kind en Adolescent Review, 12 (2), 158-187.
 
Onghena, P. (2002). Methoden van onderzoek in de pedagogische wetenschappen: empirisch-analytische methoden m.i.v. de statistiek. Eerste deel.Leuven: Acco.
 
Pederson, D.R., & Moran, G. (1995). A categorical description of infant-mother relationships in the home and its relation to Q-sort measures of infant-mother interaction. Monographs of the Society for Research in Child Development, 60 (2/3), 111-132.
 
Portney, L.G., & Watkins, M.P. (2000). Foundations of clinical research: Applications to practice. New Jersey: Prentice-Hall.
 
Schuman, H., & Presser, S. (1996). Questions and answers in attitude surveys: Experiments on question form, wording, and context. London: Sage Publications.
 
van den Bergh, P.M., & Weterings, A.M. (2006). Onderzoeksproject naar terugplaatsingen van een pleegkind. Samenvatting van de opzet van het project. Afgehaald van het WWW op 31 maart 2007:
http://www.kinderwijs.nl/artikelen.asp?postid=184
 
Van den Boom, D. (1999). Ouders op de voorgrond: een educatieve lijn voor 0 tot 18 jaar. Utrecht: Sardes.
 
van IJzendoorn, M.H. (1994). Gehechtheid van ouders en kinderen. Zaventem: Bohn Stafleu van Loghum.
 
van IJzendoorn, M.H., & Bakermans-Kranenburg, M.J. (1994). Intergenerationele overdracht van gehechtheid. Kind en Adolescent, 15 (1), 1-24.
 
van IJzendoorn, M.H., Tavecchio, L.W.C., Goossens, F.A., & Vergeer, M.M. (1982). Opvoeden in geborgenheid. Een kritische analyse van Bowlby’s attachment theorie. Deventer: Van Loghum Slaterus.
 
van IJzendoorn, M.H., Vereijken, C.M.J.L., Bakermans-Kranenburg, M.J., & Riksen-Walraven, J.M. (2004). Assessing attachment security with the Attachment Q Sort: Meta-analytic evidence for the validity of the observer AQS. Child Development, 75 (4), 1188-1213.
 
van Widenfelt, B.M., Goedhart, A.W., Treffers, P.D.A., & Goodman R. (2003). Dutch version of the Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ). European Child and Adolescent Psychiatry, 12, 281-289.
 
Verbraak, A. (1994). Het eerste instrumentarium dat echt goed werkt. Tijdschrift voor jeugdhulpverlening en jeugdwerk, 6 (7/8), 28-30.
 
Vermeire, S. (2006). Hechting: Stafkaart of doodlopend spoor? Systeemtheoretisch bulletin, 24 (3/4), 243-260.
 
Verschueren, K., & Marcoen, A. (2002). Perceptions of self and relationship with parents in aggressive and nonaggressive rejected children. Journal of School Psychology, 40, 501-522.
 
Waters, E. (1995). The Attachment Q-Set (Version 3.0). Monographs of the Society for Research in Child Development, 60 (2/3), 234-246.
 
 
Weterings, A. (2005). De trauma’s van het pleegkind. Mobiel 3 – juni/juli. Afgehaald van het WWW op 31 maart 2007:
http://www.mobiel-pleegzorg.nl/archief/2005/mo05305.htm.
 
Weterings, A., Pruijs, H., Bloemberg, W., Grootes C., Pool W., & van de Oetelaar, T. (1991). Signaleren binnen de jeugdhulpverlening: de ontwikkeling van het PSI, Pedagogisch Signalerings-Instrumentarium. Leiden: Rijksuniversiteit.
 
Weterings, A., Pruijs, H., Bloemberg, W., Pool, W., & van den Bergh, P.M. (2004). Lijst met Aandachtspunten voor Gedrag van het Kind volgens de Ouder/opvoeder voor kinderen van 1 t/m 15 jaar. Amsterdam: SWP.
 
Weterings, A., Pruijs, H., & Pool, W. (1993). De implementatie van het PSI: invoering van het Pedagogisch Signalerings-Instrumentarium in Gezinsvoogdij-instellingen en Adviesburo’s. Leiden: Rijksuniversiteit.
 
Weterings, A.M., & van den Bergh, P.M. (2003). Handleiding LAGKO: Lijst met Aandachtsvelden voor Gedrag van het Kind volgens de Ouder/Opvoeder. Amsterdam: SWP.
 
Weterings, T., & Pruijs, L. (1994). Hulp is voor ouders makkelijker te accepteren door actieve deelname. Tijdschrift voor jeugdhulpverlening en jeugdwerk, 6 (4), 23-30.
 
Youth in mind (2007). SDQ: Information for researchers and professionals about the Strengths & Difficulties Questionnaires.Geraadpleegd op het WWW op 7 december 2005: http://www.sdqinfo.com
 
Youth in mind (2007). SDQscore. Geraadpleegd op het WWW op 18 januari 2006: http://www.sdqscore.net
 

Universiteit of Hogeschool
Pedagogische Wetenschappen
Publicatiejaar
2007
Kernwoorden
Share this on: