De kinderrechtencoalitie: tussen woorden en daden

Thomas Maeseele
De Kinderrechtencoalitie: tussen woorden en daden
 
Kinderrechten, een levendig debat in het post-dutroux tijdperk. De afgelopen tien jaar is het aantal NGO’s dat zich op kinderen en kinderrechten richt ogenschijnlijk verveelvoudigd. Sinds het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind in 1989 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd goedgekeurd was er reeds een boom in kinderrechtenorganisaties. De Vlaamse Kinderrechtencoalitie is een kind van deze evolutie. Het is een coalitie van niet-gouvernementele organisaties die werken rond kinderrechten in België.

De kinderrechtencoalitie: tussen woorden en daden

De Kinderrechtencoalitie: tussen woorden en daden

 

Kinderrechten, een levendig debat in het post-dutroux tijdperk. De afgelopen tien jaar is het aantal NGO’s dat zich op kinderen en kinderrechten richt ogenschijnlijk verveelvoudigd. Sinds het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind in 1989 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd goedgekeurd was er reeds een boom in kinderrechtenorganisaties. De Vlaamse Kinderrechtencoalitie is een kind van deze evolutie. Het is een coalitie van niet-gouvernementele organisaties die werken rond kinderrechten in België. Ze streeft ernaar om kinderrechten integraal verwezenlijkt te zien in de Belgische en meer specifiek de Vlaamse context. Maar wat zijn kinderrechten? En hoe krijgen ze vorm? Vanuit welke motivatie en achtergrond ondernemen verschillende mensen en organisaties die kinderrechten onderschrijven toch verschillende acties?

 

Uit ons onderzoek bleek dat verschillende lezingen de invulling (of niet-invulling) van kinderrechten kunnen bepalen. Vanuit deze bepaalde manieren van omgaan met kinderrechten worden dan verschillende initiatieven opgezet. Bepalend voor deze lezingen is de competentiediscussie. Naarmate de plaats die men inneemt op het continuüm tussen incompetentie en competentie van kinderen zullen er andere accenten gelegd worden. Drie stromingen zijn afkomstig van deze discussie.

In de reformistische stroming staat het onbekwaamheidargument voorop. Kinderen bezitten onvoldoende de competenties die in de samenleving noodzakelijk zijn. Dit betekent dat kinderen beschermd moeten worden. Vanuit deze paternalistische visie wordt de nadruk gelegd op welzijn - en beschermingsrechten.

In de radicale stroming wordt het onbekwaamheidargument betwijfeld. Er wordt nadruk gelegd op gelijkheid en gelijkwaardigheid. Ze pleiten voor een principiële rechtsgelijkheid tussen jongeren en volwassenen. De rechten en vrijheden van volwassenen en kinderen moeten dezelfde zijn. Het recht om zelf beslissingen te kunnen nemen over het eigen leven wordt aanzien als een noodzakelijke basis om andere rechten te kunnen hebben en uit te oefenen. Zelfbeschikking staat hier dus centraal.

In de pragmatische stroming wordt een evenwicht gezocht tussen de twee voorgaande. Ze stelt dat kinderen alle burgerrechten zelfstandig moeten kunnen uitoefenen tenzij kan bewezen worden dat er een incompetentie aanwezig is met betrekking tot bepaalde specifieke rechten en er hierover een maatschappelijke consensus bestaat. Op terreinen waar kinderen incompetent zijn moeten beschermingsrechten gecreëerd worden en op de andere terreinen de mogelijkheid tot zelfbeschikking.

 

De recente sociaal-politieke stroming, die de competentiediscussie overstijgt, laat het rechtendiscours van de vorige drie stromingen achterwege. Er wordt gekeken naar de mogelijkheden die in een samenleving vervat liggen om van daaruit het leven voor iedereen aangenamer te maken. Het is immers niet omdat je een recht hebt dat het daadwerkelijk ook uitgeoefend kan worden. Omgekeerd is het niet zo dat ons ideaalbeeld erin zou moeten bestaan dat alles wat kinderen doen in rechtsmechanismen vastgelegd moet worden. De samenleving zélf moet veranderen om een menswaardig bestaan voor iedereen mogelijk te maken.

Ons onderzoek maakte duidelijk dat zowel de Vlaamse overheid als de kinderrechtencoalitie en haar leden (vooral) de pragmatische lezing aanhangen. Hoewel soms verschillende acties voorgesteld worden door de betrokken actoren blijkt de onderstroom toch dezelfde te zijn. Opmerkelijk was dat de sociaal-politieke lezing nagenoeg niet voorkwam. Het rechtendiscours werd door alle betrokken actoren vastgehouden. Er werd naar gestreefd om zoveel mogelijk rechten formeel vast te leggen. De verschillende actoren in het Vlaamse kinderrechtenveld zijn blijkbaar nog niet klaar om het rechtendiscours te overstijgen en gelijkheid van kansen minstens even hoog in het vaandel te schrijven als het streven naar rechtsmechanismen.

Universiteit of Hogeschool
master in Sociaal Werk
Publicatiejaar
2006
Share this on: