Audiovisueel verhoor van minderjarigen. Onderzoek bij parket.

Heidi Luypaert

 
Door Heidi Luypaert
 

 
In verscheidene landen bestaat er reeds lang een discussie rond de betrouwbaarheid van getuigenissen van kinderen. Aanvankelijk werden kinderen als onbetrouwbare getuigen beschouwd. Sinds de jaren tachtig is er echter een herwaardering van hun getuigenwaarde gegroeid. Studies geven aan dat kinderen betrouwbare getuigen kunnen zijn, mits ze op de gepaste wijze ondervraagd worden. Minderjarigen hebben intussen hun plaats als volwaardige getuige verworven.

Audiovisueel verhoor van minderjarigen. Onderzoek bij parket.

 

Door Heidi Luypaert

 

 

In verscheidene landen bestaat er reeds lang een discussie rond de betrouwbaarheid van getuigenissen van kinderen. Aanvankelijk werden kinderen als onbetrouwbare getuigen beschouwd. Sinds de jaren tachtig is er echter een herwaardering van hun getuigenwaarde gegroeid. Studies geven aan dat kinderen betrouwbare getuigen kunnen zijn, mits ze op de gepaste wijze ondervraagd worden. Minderjarigen hebben intussen hun plaats als volwaardige getuige verworven. Hun woord en verhaal over de feiten die ze hebben meegemaakt, krijgen de slagkracht die nodig is in strafprocedures die ook hen aanbelangen.

 

Het meer betrekken van kinderen in de rechtspleging, leidt evenwel tot een aantal knelpunten. We kunnen ons namelijk de vraag stellen of strafrechtssystemen -die eigenlijk voor en door volwassenen ontwikkeld zijn- wel voldoende afgestemd zijn op deze jonge slachtoffers en getuigen. Het bewustzijn is inmiddels gegroeid dat bestaande rechtsprocedures, zoals het verschijnen voor de rechtbank, weinig kindvriendelijk kunnen genoemd worden. Moeten we ons niet de vraag stellen “Wat kunnen wij voor het kind doen” in plaats van “Wat kan het kind voor ons doen”? Verschillende landen hebben speciale maatregelen ontwikkeld om aan de specifieke noden van minderjarigen tegemoet te komen. Eén van deze mogelijkheden is de audiovisuele opname van het verhoor. Dit vermijdt onder meer herhaalde verhoren en de verschijning voor de rechtbank.

 

Terwijl bijvoorbeeld in Engeland en Wales, en in Nederland reeds eind jaren tachtig de eerste initiatieven rond het videoverhoor zijn ontstaan, zagen we deze ontwikkeling in ons land pas midden jaren negentig. Het lijkt alsof België eerst iets nodig heeft om wakker geschud te worden. De zaak Dutroux is in ons land namelijk de belangrijke katalysator geweest tot hervormingen en vernieuwingen zoals de wet betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen van 28 november 2000. Deze wet vormt in de ontwikkeling van het kinderverhoor een belangrijk keerpunt. Terwijl in midden jaren negentig louter proefprojecten bestonden, zijn er nu wettelijke regelingen en ministeriële richtlijnen, gestandaardiseerde opleidingen en de ontwikkeling van netwerken van gespecialiseerde kinderverhoorders in heel het land. Nu nog gebeuren er investeringen om het kinderverhoor te optimaliseren. De spilfiguur hierbij is de Dienst Gedragswetenschappen van de Federale Politie. Deze dienst is belast met onder meer het organiseren van opleidingen en de coördinatie en opvolging van de netwerken kinderverhoorders. Hoewel België in de ontwikkeling van het videoverhoor wat achterholde op andere landen, is deze achterstand met andere woorden zeker ingehaald.

 

In de literatuur omtrent het (audiovisueel) verhoor van kinderen gaat de aandacht veelal naar de betrouwbaarheid van de verklaringen en hoe men de betrokkenheid van kinderen bij de strafrechtspleging meer kindvriendelijk kan maken. In ons onderzoek bekijken we het audiovisueel verhoor vanuit een ander perspectief, namelijk vanuit de magistratuur. De beslissing om tot deze specifieke verhoren over te gaan, ligt in ons land namelijk bij magistraten. Zij kunnen in bepaalde gevallen een videoverhoor bevelen bij minderjarige getuigen en slachtoffers. De Ministeriële Omzendbrief van 16 juli 2001 geeft een aantal elementen aan waar een magistraat rekening mee moet of kan houden. Aangezien het bij deze beslissingen gaat om een mogelijkheid en niet om een verplichting, stelden we ons de vraag welke elementen in de praktijk een rol spelen. Het is immers mogelijk dat magistraten ook op andere factoren dan deze beschreven in de omzendbrief steunen.

 

Uit ons onderzoek -waarbij we semi-gestructureerde interviews afgenomen hebben van parketmagistraten- blijkt dat de Ministeriële Omzendbrief van 2001 een belangrijke leidraad biedt voor magistraten in de beslissingen om al dan niet over te gaan tot een videoverhoor. Parketmagistraten blijken voornamelijk bij minderjarige slachtoffers en in mindere mate bij jonge getuigen te opteren voor een audiovisueel verhoor. De meest belangrijke elementen die een rol spelen in deze beslissingen zijn enerzijds kenmerken van het kind zoals de leeftijd en de mondigheid en anderzijds de feiten zelf. Het audiovisueel verhoor wordt voornamelijk in kader van zedenfeiten en mishandeling bevolen. Andere elementen zijn veelal in het belang van het dossier (bijvoorbeeld de overtuigingskracht van een videoverhoor) of in het belang van het kind (bijvoorbeeld het vermijden van meerdere verhoren). Bij deze beslissingen blijkt de informatie van politiediensten over de verhoorbaarheid van het kind en wenselijkheid van een audiovisueel verhoor veel gewicht te krijgen. Magistraten zijn er zich van bewust dat niet alle feiten waarbij een minderjarige betrokken is, om een audiovisueel verhoor vragen. Onnodig veel beroep doen op deze intensieve methode kan immers nefast zijn voor een goede werking van de netwerken kinderverhoorders. In de praktijk blijken magistraten de omzendbrief van 2001 in het algemeen goed op te volgen. Er zijn in deze omzendbrief echter een aantal lacunes en onduidelijkheden te bespeuren, die zich ook uiten in de praktijk. Wat de toepassing bijvoorbeeld van het audiovisueel verhoor bij minderjarige daders betreft, blijkt er onenigheid te bestaan. Op basis van deze studie kunnen we niet besluiten dat er tussen arrondissementen waar veel of weinig audiovisuele verhoren gebeuren, verschillen zijn in het beslissingsproces van de parketmagistraat. Verder onderzoek waarin men rekening houdt met het tijdstip van de opleiding en met het aantal dossiers van onder meer zedenfeiten en mishandeling, is aangeraden. Om verschillen tussen de arrondissementen in ons land en eventuele tendenzen in Wallonië en Vlaanderen bloot te leggen, is uitgebreid onderzoek noodzakelijk.

 

Op basis van onze onderzoeksgegevens kunnen we besluiten dat het audiovisueel verhoor op parketniveau zijn ingang heeft gevonden. Dit is een belangrijke vaststelling, omdat magistraten door hun beslissingskracht een bijdrage leveren tot het succes van de netwerken kinderverhoorders. De investeringen in de ontwikkeling van deze netwerken moeten immers in de praktijk leiden tot het daadwerkelijk benutten van deze techniek. Onze resultaten zijn alleszins veelbelovend. België blijkt met andere woorden de goede weg zijn ingegaan.

 

Bibliografie

BIBLIOGRAFIE

Wetgeving

Nederland

Art. 167a Wetboek van Strafvordering

Art. 217 Wetboek van Strafvordering

België

Art. 28quinquies §2 Wetboek van Strafvordering

Art. 47bis Wetboek van Strafvordering

Art. 57 §2 Wetboek van Strafvordering

Art. 91bis tot en met art. 101 Wetboek van Strafvordering

Art. 190bis Wetboek van Strafvordering

Art. 327bis Wetboek van Strafvordering

Wet 13 april 1995 betreffende seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen, B.S. 25 april 1995.

Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveau’s, B.S. 5 januari 1999.

Art. 38 tot en met art. 40 Wet 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, B.S. 17 maart 2001.

Ministeriële Omzendbrief 16 juli 2001 over de audiovisuele opname van het verhoor van minderjarige slachtoffers of getuigen van misdrijven.

Ministeriële Richtlijn 20 februari 2002 tot regeling van de taakverdeling, de samenwerking, de coördinatie en de integratie tussen de lokale en de federale politie inzake de opdrachten van gerechtelijke politie, B.S. 1 maart 2002, 8191-8200.

Boeken

BAARDA, D.B., DE GOEDE, M.P.M. en TEUNISSEN, J., Basisboek Kwalitatief onderzoek: Praktische handleiding voor het opzetten en uitvoeren van kwalitatief onderzoek, Houten, Stenfert Kroese, 2001, 255 p.

Audiovisueel verhoor bij minderjarigen 103

BAARDA, D.B., DE GOEDE, M.P.M. en VAN DER MEER-MIDDELBURG, A.G.E., Basisboek Open interviewen, Praktische handleiding voor het voorbereiden en afnemen van open interviews, Houten, Stenfert Kroese, 1996, 165 p.

BILLIET, J. en WAEGE, H. (eds.), Een samenleving onderzocht, Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 2001, 390 p.

CAMBRE, B. en WAEGE, H., “Kwalitatief onderzoek en dataverzameling door open interviews”, in BILLIET, J. en WAEGE, H. (eds.), Een samenleving onderzocht, Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 2001, 315-342.

CASHMORE, J., “Innovative Procedures for Child Witnesses”, in WESTCOTT, H.L., DAVIES, G.M. en BULL, R.H.C. (eds.), Children’s Testimony, A Handbook of Psychological Research and Forensic Practice, Chichester, Wiley, 2002, 203-217.

CECI, S.J. en BRUCK, M., Jeopardy in the Courtroom, Washington, American Psychological Association, 2000, 336 p.

CECI, J., CROSSMAN, A.M., SCULLIN, M.H., GILSTRAP, L. en HUFFMAN, M.L., “Children’s Suggestibility Research: Implications for the Courtroom and the Forensic Interview”, in WESTCOTT, H.L., DAVIES, G.M. en BULL, R.H.C. (eds.), Children’s Testimony, A Handbook of Psychological Research and Forensic Practice, Chichester, Wiley, 2002, 117-130.

CLAEYS, L. en COOLS, B., “Audiovisueel verhoor van kinderen”, in VERMEULEN, G. (ed.), Strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, Antwerpen, Maklu, 2001, 533-564.

CRESWELL, J.W., Research Design: Qualitative, Quantitative and Mixed Methods Approaches, Londen, SAGE, 2003, 246 p.

DAVIES, G. en WESTCOTT, H., “Videotechnology and the Child Witness”, in DENT, H. en FLIN, R. (eds.), Children as Witnesses, Chichester, Wiley, 1992, 211-229.

DAVIES, G.M. en WESTCOTT, H.L., Interviewing Child Witnesses under the Memorandum of Good Practice: A research review, Londen, Home Office Police Research Series, 1999, 57 p.

DECOUX, R., “Het verhoor: slechts de asse die rest van een laaiende vuurhaard?”, in VAN ELCHINGEN, S. (ed.), Het politieverhoor, Leuven, Centrum voor politiestudies v.z.w., 1999, 103-123.

DEKENS, K.M.K. en VAN DER SLEEN, J., Het kind als getuige, Theorie en praktijk van het verhoor, ’s Gravenhage, VUGA, 1997, 77 p.

DENT, H., “The Effects of Age and Intelligence on Eyewitnessing Ability”, in DENT, H. en FLIN, R. (eds.), Children as Witnesses, Chichester, Wiley, 1992, 1-13.

DENT, H. en FLIN, R. (eds.), Children as Witnesses, Chichester, Wiley, 1992, 259 p.

Audiovisueel verhoor bij minderjarigen 104

DEPARTMENT OF HEALTH, HOME OFFICE EN DEPARTMENT OF EDUCATION AND SCIENCE, Working together to safeguard children: a guide to inter-agency working to safeguard and promote the welfare of children, Londen, The Stationary Office, 1999, 120p.

FLICK, U., An Introduction to Qualitative Research, Londen, SAGE, 2002, 310 p.

FLIN, R., BULL, R., BOON, J. en KNOX, A., “Children in the Witness-Box”, in DENT, H. en FLIN, R., Children as Witnesses, Chichester, Wiley, 1992, 167-179.

GOODMAN, G.S. en BOTTOMS, B.L. (eds.), Child victims, child witnesses: Understanding and improving testimony, Londen, Guilford, 1993, 333 p.

GUDJONSSON, G.H., The Psychology of Interrogations and Confessions: A Handbook, Chichester, Wiley, 2003, 684 p.

HOME OFFICE, Memorandum of Good Practice on Video Recorded Interviews with Child Witnesses for Criminal Proceedings, Londen, HMSO, 1992, 56 p.

HOME OFFICE, Speaking up for Justice, Londen, Home Office, 1998, 268 p.

JEFFERIES, D., “Police and Social Workers: Joint Work with Youth in England”, in VERNON, J. en MC KILLOP, S. (eds.), Preventing Juvenile Crime, Canberra, Australian Institute of Criminology, 1991, 103-112.

KVALE, S., InterViews, An Introduction to Qualitative Research Interviewing, Londen, SAGE, 1996, 326 p.

LAMB, M.E., ORBACH, Y., STERNBERG, K.J., ESPLIN, P.W. en HERSHKOWITZ, I., “The Effects of Forensic Interview Practices on the Quality of Information Provided by Alleged Victims of Child Abuse”, in WESTCOTT, H.L., DAVIES, G.M. en BULL, R.H.C. (eds.), Children’s Testimony, A Handbook of Psychological Research and Forensic Practice, Chichester, Wiley, 2002, 131-145.

MASA, I. en SMALING, A., Kwalitatief onderzoek: praktijk en theorie, Amsterdam, Boom, 1998, 146 p.

RASSIN, E. en VAN KOPPEN, P.J., “Het verhoren van kinderen in zedenzaken”, in VAN KOPPEN, P.J., HESSING, D.J., MERCKELBACH, H.L.G.J. en CROMBAG, H.F.M. (eds.), Het recht van binnen: psychologie van het recht, Deventer, Kluwer, 2002, 507-530.

SAYWITZ, K.J., “Developmental Underpinnings of Children’s Testimony”, in WESTCOTT, H.L., DAVIES, G.M. en BULL, R.H.C. (eds.), Children’s Testimony, A Handbook of Psychological Research and Forensic Practice, Chichester, Wiley, 2002, 3-19..

SPENCER, J.R., “Reforming the Law on Children’s Evidence in England: The Pigot Committee and After”, in DENT, H. en FLIN, R. (eds.), Children as Witnesses, Chichester, Wiley, 1992, 113-129.

Audiovisueel verhoor bij minderjarigen 105

THION, P. en BOUZOUMITA, S., “Strafrechtelijk bescherming van minderjarigen in Nederland”, in VERMEULEN, G. (ed.), Strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, Antwerpen, Maklu, 2001, 5-41.

VAN ELCHINGEN, S. (ed.), Het politieverhoor, Leuven, Centrum voor politiestudies v.z.w., 1999, 147 p.

VAN KOPPEN, P.J. en CROMBAG, H.F.M. (eds.), De menselijke factor, Psychologie voor juristen, Arnhem, Gouda Quint, 1991, 322 p.

VAN KOPPEN, P.J., HESSING, D.J., MERCKELBACH, H.L.G.J. en CROMBAG, H.F.M. (eds.), Het recht van binnen: psychologie van het recht, Deventer, Kluwer, 2002, 1197p.

VERBANDT, C. en PONJAERT, I., Ondervraging van kinderen. Behoeften inzake onthaal, opvang en ondervraging van kinderen die getuige of slachtoffer zijn van een misdrijf, Brussel, Politeia, 1996, 149 p.

VERMEULEN, G. (ed.), Strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, Antwerpen, Maklu, 2001, 699 p.

VERNON, J. en MC KILLOP, S. (eds.), Preventing Juvenile Crime, Canberra, Australian Institute of Criminology, 1991, 203 p.

WESTCOTT, H.L., DAVIES, G.M. en BULL, R.H.C. (eds.), Children’s Testimony, A Handbook of Psychological Research and Forensic Practice, Chichester, Wiley, 2002, 394 p.

WOLTERS, G., “De betrouwbaarheid van ooggetuigen”, in VAN KOPPEN, P.J. en CROMBAG, H.F.M. (eds.), De menselijke factor, Psychologie voor juristen, Arnhem, Gouda Quint, 1991, 157-173.

X, Audiovisueel verhoor van minderjarige slachtoffers of getuigen van misdrijven, Federale Politie DGJ/DJG/GWSC, 2003, 45 p.

Bijdragen in tijdschriften

ACKIL, J.K. en ZARAGOZA, M.S., “Developmental Differences in Eyewitness Suggestibility and Memory for Source”, Journal of Experimental Child Psychology 1995, 57-83.

ALDRIDGE, J. en CAMERON, S., “Interviewing child witnesses: Questioning techniques and the role of training”, Applied Developmental Science 1999, 136-147.

ALESSI, H.D. en BALLARD, M.B., “Memory development in Children: Implications for Children as Witnesses in Situations of Possible Abuse”, Journal of Counseling & Development 2001, 398-404.

Audiovisueel verhoor bij minderjarigen 106

CECI, S.J. en BRUCK, M., “Suggestibility of the Child Witness: A Historical Review and Synthesis”, Psychological Bulletin 1993, 403-439.

CEDERBORG, A.C., “Factors influencing child witnesses”, Scandinavian Journal of Psychology 2004, 197-205.

COOPER, D., “Pigot Unfulfilled: Video-recorded Cross-examination under section 28 of the Youth Justice and Criminal Evidence Act 1999”, Criminal Law Review 2005, 456-466.

DENT, H.R. en STEPHENSON, G.M., “An experimental study of the effectiveness of different techniques of questioning child witnesses”, British Journal of Social and Clinical Psychology 1979, 41-51.

DUPUIS, B., “Audiovisueel verhoor van minderjarigen, Naar een netwerk van specialisten”, Inforevue 2002, afl. 12, 2-7.

ELBERS, E. en TER LAAK, J.J.F., “Kinderen als getuigen”, Justitiële Verkenningen 1989, afl. 6, 91-109.

FREEMAN, K.A. en MORRIS, T.L., “Investigative interviewing with children: Evaluation of the effectiveness of a training program for child protective service workers”, Child Abuse and Neglect 1999, 701-713.

GOODMAN, G.S., “Children’s Testimony in Historical Perspective”, Journal of Social Issues 1984, afl. 2, 9-25.

GOODMAN, G.S., “The Child Witness: Conclusions and Future Directions for Research and Legal Practice”, Journal of Social Issues 1984, afl. 2, 157-175.

HOYANO, L.C.H., “Striking a Balance between the Rights of Defendants and Vulnerable Witnesses: Will Special Measures Directions Contravene Guarantees of a Fair Trial?”, Criminal Law Review 2001, 948-969.

LAMB, M.E., STERNBERG, K.J. en ESPLIN, P.W., “Conducting investigative interviews of alleged sexual abuse victims”, Child Abuse and Neglect 1998, 813-823.

LAMB, M.E., STERNBERG, K.J., ORBACH, Y., ESPLIN, P.W. en MITCHELL, S., “Is ongoing feedback necessary to maintain the quality of investigative interviews with allegedly abused children?”, Applied Developmental Science 2002, 35-41.

LAMB, M.E., STERNBERG, K.J., ORBACH, Y., HERSHKOWITZ, I., HOROWITZ, D. en ESPLIN, P.W., “The effects of intensive training and ongoing supervision on the quality of investigative interviews with alleged sex abuse victims”, Applied Developmental Science 2002, 114-125.

LOFTUS, E.F. en DAVIES, G.M., “Distortions in the memory of children”, Journal of Social Issues 1984, afl. 2, 51-67.

OOST, J. en JANS, J., “Kinderen horen met video wordt landelijk ingevoerd”, Algemeen Politieblad 1990, 470-472.

Audiovisueel verhoor bij minderjarigen 107

ORBACH, Y., HERSHKOWITZ, I., LAMB, M.E., STERNBERG, K.J., ESPLIN, P.W. en HOROWITZ, D., “Assessing the value of structured protocols for forensic interviews of alleged child abuse victims”, Child Abuse and Neglect 2000, 733-752.

SOMERS, P. en VANDERMEERSCH, D., “L’enregistrement des auditions des enfants victimes d’abus sexuels: premiers jalons d’evaluation de l’expérience bruxelloise”, Rev. dr. pén. 1997, 376-404.

SPENCER, J.R., “Child Witnesses, Video-Technology and the law of Evidence”, Criminal Law Review 1987, 76-83.

STERNBERG, K.J., LAMB, M.E., ESPLIN, P.W. en BARADARAN, L.P., “Using a scripted protocol in investigative interviews: A pilot study”, Applied Developmental Science 1999, 70-76.

STERNBERG, K.J., LAMB, M.E., ORBACH, Y., ESPLIN, P.W. en MITCHELL, S., “Use of a structured investigative protocol enhances young children’s responses to free recall prompts in the course of forensic interviews”, Journal of Applied Psychology 2001, 997-1005.

VAN DE PLAS, M., “Wat met de ondersteuning aan de lokale politie door de federale politie na 2004”, TAM-TAM Techniek Audiovisueel verhoor Minderjarigen (intern tijdschrift GWSC) 2004, afl. 6, 13.

VAN KOPPEN, P.J. en VAN DOELAND, J.T., “Als papa de verdachte is, Het verschoningsrecht van kinderen in zedenzaken”, Nederlands Juristenblad 2004, 1248-1252.

VOGELTANZ, N.D. en DRABMAN, R.S., “A procedure for evaluating young children suspected of being sexually abused”, Behavior Therapy 1995, 579-597.

WARREN, A.R., WOODALL, C.E., THOMAS, M., NUNNO, M., KEENEY, J.M., LARSON, S.M. en STADFELD, J.A., “Assessing the effectiveness of a training program for interviewing child witnesses”, Applied Developmental Science 1999, 128-135.

ZAJAC, R. en HAYNE, H., “I Don’t Think That’s What Really Happened: The Effect of Cross-Examination on the Accuracy of Children’s Reports”, Journal of Experimental Psychology 2003, 187-194.

Internetbronnen

CAMBRIDGESHIRE ACPC, http://www.cambsacpc.org.uk/downloads/appendix4.pdf, geraadpleegd op 30 maart 2005.

FEDERALE POLITIE, http://www.fedpol.be/old_site/rw/revue/143/143_09.htm, geraadpleegd op 30 september 2004.

Audiovisueel verhoor bij minderjarigen 108

HOME OFFICE, http://www.homeoffice.gov.uk/docs/yjceact.html, geraadpleegd op 8 juli 2005.

HOME OFFICE, Achieving Best Evidence in Criminal Proceedings, Guidance for Vulnerable or Intimidated Witnesses, including Children, gevonden te CROWN PROSECUTION SERVICE, http://www.cps.gov.uk/publications/prosecution/bestevidencevol2.html, geraadpleegd op 9 juli 2005.

HOME OFFICE PRESS RELEASES, http://www.homeoffice.gov.uk/pageprint.asp? item_id=1172, geraadpleegd op 9 juli 2005.

OPENBAAR MINISTERIE NEDERLAND, Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik, gevonden te http://www.om.nl/?p=pg&s=414, geraadpleegd op 6 april 2005.

POLITIE, http://www.poldoc.be/dir/dgj/djg/web/djgcomn.htm, geraadpleegd op 2 september 2004.

SEKSUEEL MISDRIJF, http://www.seksueelmisdrijf.nl/info/richtlijn_justitie.htm, geraadpleegd op 6 april 2005.

SHEFFIELD, http://www.sheffield.gov.uk/safe--sound/protection-from-abuse/child-pro… sheffield-area-child-protection-committee/procedure-manual, geraadpleegd op 30 maart 2005.

SPENCER, J.R., Proposals for Reform, International Conference on Child Witnesses and their Evidence 2002, gevonden te JUDICIAL STUDIES BOARD, http://www.jsboard.co.uk/international/child_related/conferences/mf_09…, geraadpleegd op 9 juli 2005.

THE CROWN PROSECUTION SERVICE, http://www.cps.gov.uk/legal/section4/chapter_c .html, geraadpleegd op 2 april 2005.

WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK- EN DOCUMENTATIECENTRUM, http://www.wodc.nl/publicatie/aanpakcriminaliteit/criminaliteitsproblem…, geraadpleegd op 7 april 2005.

Andere

Schriftelijke contacten met Marcel Verhoef, zedenrechercheur te Zutphen (district Ijsselstreek), Nederland.

DE WIEST, H., Het audiovisueel verhoor van minderjarigen (powerpoint-presentatie gebruikt op een terugkomdag voor docenten op 14 februari 2005), onuitg.

Audiovisueel verhoor bij minderjarigen 109

 

Universiteit of Hogeschool
Criminologische Wetenschappen
Publicatiejaar
2005