Ekspressionisme in Vlaanderen: een nieuwe cultuur in een tijd van censuur

Jens
De Wit

Literatuur en censuur tussen het schieten door

De Groote Oorlog was een verwarrende periode. Terwijl iedereen ervan overtuigd was dat het conflict slechts enkele weken zou duren, draaide het uit op een uit de kluiten gewassen marathon. Ook de literaire wereld kreeg het hard te verduren. Dat wordt al wel eens vergeten, aangezien de aandacht bij een gewapend conflict steevast naar het vechten gaat.

Ondanks dat de focus bij een oorlog op het geweld ligt, gaat het leven voort. Bij het begin van zo’n conflict gaat alle aandacht naar de gevechten, de kogels, de kanonnen, het bloedvergieten en de gewonden. Bekijken we vandaag de kranten uit die periode, dan zien we echter dat het leven na verloop van tijd weer op gang komt. Ook het literaire leven bloeit weer op; daar hoort zelfs een nieuwe culturele stroming bij: het expressionisme.

Censuur: het controleren van meningen en gedachten

Zelfs wanneer de nieuwe omstandigheden allesbehalve plezierig zijn, weet een gemeenschap zich toch uit de slag te trekken. De bakker verkoopt het weinige brood dat hij heeft, de slager verkoopt weer vlees – al is dat nu misschien van mindere kwaliteit – en de bevolking doet zijn best om te overleven. Wie geluk heeft, heeft het zelfs niet zo heel zwaar.

Nieuwe omstandigheden betekenen echter ook nieuwe wetten. Terwijl de Duitse troepen België bezetten, laten de Belgische soldaten de IJzer uit zijn oevers treden. De situatie zit muurvast. Tot er een doorbraak kan worden geforceerd aan het front, moet de Duitse bezetter stappen ondernemen om de macht in handen te houden. Eén van de maatregelen is het aan banden leggen van kennis.

Kennis is immers macht. Wie kan controleren wat mensen zeggen en denken, vermijdt een hele hoop nare gevolgen. Als kranten zouden oproepen tot revolutie zou een hele menigte zich tegen de bezettende soldaten kunnen keren. De eerste stap van de Duitse bevelhebber was dan ook het regelen van censuur. Elk krantenartikel, elke affiche, elk nieuw boek en zelfs elke persoonlijke brief moest worden onderzocht door het Duitse censuurapparaat. Ging dat niet akkoord met de boodschap, dan mocht het niet verschijnen.

Sommigen lapten de bepalingen van de censor vrolijk aan hun laars. Zij riskeerden dan zware straffen. Zo weten we dat enkele kranten niet meer mochten verschijnen en werden vele schrijvers en journalisten gedeporteerd naar Duitsland. Ze moesten gaan werken in fabrieken die oorlogstuig produceerden voor de Duitse soldaten.

Sommige kranten deden ook aan zelfcensuur: zij waren het oneens met de regels die de bezetter oplegde en weigerden nog nieuwe kranten te maken. Andere redacties verkozen net om wel te blijven verschijnen om zo ‘onvaderlandse pers’ de pas af te snijden. Zij wilden, met andere woorden, voorkomen dat landsverraders de kans kregen om het volk te brainwashen.

Flamenpolitik en een literaire wedergeboorte

Leven tijdens de oorlog was voor iedereen zwaar, ook voor schrijvers. Tijdens de eerste maanden van de oorlog lag het literaire leven stil. Schrijvers vochten aan het front of hadden andere katten te geselen. In Vlaanderen viel de impact voor hen echter goed mee. In Wallonië was de situatie voor schrijvers en de gehele bevolking vaak nog veel zwaarder.

De Duitse bezetter was Vlaanderen namelijk beter gezind dan Wallonië, in de hoop dat Vlamingen hun doel zouden steunen. Dit had te maken met brainwashen: Duitsers voerden campagne met het idee dat Vlamingen en Duitsers van dezelfde stamvaders afkomstig waren. Hun doel zou daarom hetzelfde moeten zijn: samen heersen over vijandelijke stammen. Vijand nummer één was de Franse gemeenschap waar Wallonië volgens hen deel van uitmaakte; een campagne die we de Flamenpolitik noemen.

Onder een regime dat Vlamingen aan zijn kant probeerde te krijgen, kregen Vlaamse schrijvers de vrijheid om zich opnieuw creatief uit te leven. De literaire wereld kwam langzaamaan weer op gang, geholpen door een redelijk lichte vorm van censuur. Het was in dit klimaat dat expressionistische literatuur voor het eerst opdook. Als de bezetter niet zo tolerant was geweest ten opzichte van mensen als Paul van Ostaijen, was dit nooit gebeurd.

Het expressionisme was ontstaan in Duitsland, als een vorm van protest tegen ‘de staat van de wereld’. Het wilde breken met de kunst en cultuur die heerste. Dat het expressionisme ook bij ons wist door te breken mogen we gerust wonderbaarlijk noemen: de Duitse bezetter was immers vreselijk conservatief. Als vrij land was dat in Duitsland veel makkelijker. Bij ons had dat te maken met de Flamenpolitik: de bezetter was dan wel streng ten opzichte van de geschreven pers, artistieke evolutie wilde het niet in de weg staan.

Een terechte maatregel

Tussen het schieten door kwam het literaire leven weer op gang. Om ervoor te zorgen dat dit gebeurde op een overzichtelijke manier hanteerde de Duitse bezetter een strenge censuur. Per slot van rekening moest de bezetter de bevolking onder controle houden tot het conflict in hun voordeel werd beslist. Vanuit een objectief standpunt kan niemand zeggen dat dit onterecht was. Het geschreven woord bezit namelijk een kracht die niet te evenaren valt.

Desondanks die censuur – een terechte maatregel – viel de situatie in Vlaanderen nog goed mee. Duitsland wilde Vlaanderen niet alleen overwinnen, maar ook voor zich winnen. De Flamenpolitik moest hierin een belangrijke rol spelen en een beperkte creatieve vrijheid was daarvan een gevolg. Zo wist een nieuwe culturele stroming haar opwachting te maken in een tijd van bommen en granaten.

Download scriptie (489.86 KB)
Universiteit of Hogeschool
Universiteit Antwerpen
Thesis jaar
2015