The effect of low-information voters and elections on gender-based voting behavior

Sjifra de Leeuw
Deze thesis onderzoekt of en in welke mate het geslacht van een kandidaat door kiezers wordt gebruikt als heuristiek, ofwel als simpel stukje informatie om hun keuze te vergemakkelijken.

Stemmen vrouwen op vrouwen omdat dat makkelijk is?

Wie de Amerikaanse presidentsverkiezingen op de voet heeft gevolgd, heeft dit plaatje ongetwijfeld de revue zien passeren.

Image removed.

De conclusie is duidelijk: mannen stemmen vaker op Trump en vrouwen stemmen vaker op Clinton. Dit fenomeen staat in de politieke wetenschappen ook wel bekend onder de naam gender-based stemgedrag. Naar aanleiding van de observatie dat er onder het vrouwelijk gedeelte van het electoraat potentieel een brede steun voor Clinton zou bestaan, beschuldigde Trump haar er zelfs van dat dit de enige reden zou zijn waarom vrouwen op haar zouden stemmen. Zij zou op deze manier misbruik maken van de zogenaamde Woman Card. Onbewust maakte Trump hier een veronderstelling die ook breed gedragen wordt in de academische literatuur, namelijk dat het geslacht van een kandidaat een manier voor kiezers zou zijn om hun stemkeuze te vergemakkelijken. De onderliggende gedachte is dat kiezers stemmen op een kandidaat van hetzelfde geslacht, wanneer zij niet de beschikking hebben over andere, meer belangrijke informatie. Toch is er tot dusver weinig bekend over gender-based stemgedrag en nog minder of het geslacht van de kandidaat ook daadwerkelijk door kiezers gebruikt wordt als een simpel stukje informatie om hun keuze net iets makkelijker te maken.

De Man- en Woman Card in de VS en in België

Het bestuderen van deze vraagstukken in de context van de Amerikaanse presidentiële verkiezingen is lastig, daar een keuze voor een kandidaat ook een keuze voor een bepaalde ideologie inhoudt. Welk van deze twee factoren de doorslag geeft, kan moeilijk worden achterhaald, m.a.w. bestaat die Woman Card wel? Om die vraag te beantwoorden, is het van groot belang dit type stemgedrag ook in andere electorale contexten te bestuderen.

Het Belgische kiessysteem is in dit kader een unieke gelegenheid om gender-based stemgedrag te bestuderen, omdat men naast een stem op een partij (waarbij ideologie doorgaans de doorslaggevende factor is) ook één of meerdere voorkeurstemmen voor individuele kandidaten kan uitbrengen (die dan weer gebaseerd kan zijn op bijvoorbeeld eigenschappen als het geslacht van die kandidaten).

Figuur 1: Stemgedrag in de Europese en federale verkiezingen van 2014

Stemgedrag in de federale en Europese verkiezingen.

Bron: PARTIREP Election Study, 2014, eigen berekeningen

Zoals blijkt uit het bovenstaand figuur is stemmen op een kandidaat van hetzelfde geslacht (same-sex stem) ook in België de meest populaire keuze. Toch toont eerder onderzoek aan dat dit véél minder het geval is voor vrouwelijke kiezers dan voor mannelijke kiezers. Vrouwelijke kandidaten hebben dus geen vrouwenbonus, maar een vrouwenprobleem. Wel een Man Card dus, maar van een functionele Woman Card lijkt geen sprake.

Een makkelijk antwoord voor kiezers met weinig informatie?

Probeer maar eens een kandidaat te selecteren van wie jij zeker bent dat ze jouw belangen goed zullen verdedigen … dat is een hele opgave. Om een goed geïnformeerde keuze te maken dien je informatie te verzamelen over de ideologie van de kandidaten, hun inhoudelijke voorkeuren, hun integriteit, etc. Met andere woorden, het verzamelen van relevante informatie vergt een zekere inspanning van de kiezer. Niet alle kiezers zullen deze inspanning willen leveren en op het moment dat zij hun stem moeten uitbrengen, zullen zij dan ook op zoek gaan naar andere simpelere stukjes informatie of ‘heuristieken’, zoals het geslacht van de kandidaat. Om die reden verwachtte ik dan ook dat kiezers die minder geïnteresseerd zijn in politiek vaker zullen stemmen op een kandidaat van hetzelfde geslacht.

Figuur 2: Het effect van politieke interesse op gender-based stemgedrag

Effect van politieke sofisticatie op gender-based stemgedrag

Bron: PARTIREP 2014

Uit mijn analyses bleek dat dit vermoeden klopt. De analyses tonen aan dat kiezers de kans om op een kandidaat van hetzelfde geslacht te stemmen (in Figuur: kans same-sex stem) lager is voor kiezers met veel interesse in de politiek dan voor kiezers, dan voor kiezers met minder interesse. Kiezers die dus niet de moeite willen doen om informatie te verzamelen zijn dus inderdaad meer geneigd een gender-based stem uit te brengen. Toch moet de rol van politieke interesse niet overschat worden. Uit de analyses bleek ook dat alhoewel politieke interesse inderdaad een invloed had op gender-based stemgedrag, het om een zeer zwakke (bijna verwaarloosbare) invloed ging.

Een makkelijk antwoord in een moeilijke verkiezing?

Naast de individuele motivatie, maakt het voor de kiezer natuurlijk ook uit hoe makkelijk deze informatie verzameld kan worden. Toch is het niet in elke verkiezing even makkelijk om informatie te verzamelen, omdat er bijvoorbeeld weinig aandacht voor is in de media of in het publiek debat. Om te onderzoeken of dit inderdaad een rol speelde, vergeleek ik in mijn onderzoek het stemgedrag in de federale verkiezingen – die zeer veel aandacht ontvangen – en de Europese verkiezingen (goh, waar gingen die eigenlijk over?). De Europese verkiezingen worden doorgaans gezien als minder belangrijk en ontvangen daarom ook veel minder aandacht van de media. In de politieke wetenschappen worden ze daarom ook vaak ‘tweederangs’ verkiezingen genoemd, terwijl de federale verkiezingen dan weer van het label ‘eersterangs’ verkiezingen genieten. De beperkte beschikbaarheid van informatie rond de Europese verkiezingen zou opnieuw de nood om gebruik te maken van een heuristiek als gender vergroten.

Toch is dit geenszins het geval: uit de analyses blijkt dat in de federale verkiezingen ongeveer evenveel kiezers op kandidaten van hetzelfde geslacht stemmen als in de Europese verkiezingen. Dit impliceert dat in een verkiezing waar weinig informatie beschikbaar is, kiezers niet vaker een beroep zullen doen op de gender-shortcut, zoals eerder gedacht.

Conclusie

Samengevat lijkt het beschikken over politieke informatie vrijwel niet samen te hangen met de kans een gender-based stem uit te brengen. Op het niveau van de kiezer, is er slechts een zeer zwak effect te observeren, terwijl op het niveau van de verkiezing zelfs géén effect zichtbaar is. In tegenstelling tot wat Trump en de academische literatuur omtrent gender-based stemgedrag beweert, is er dus geen aanleiding om te denken dat het geslacht van de kandidaat door kiezers gebruikt wordt als een manier om de stemkeuze te versimpelen. Jammer voor Donald, maar goed nieuws voor ons, want daar is een stem veel te belangrijk voor!

Bibliografie

Bowen, H. P., & Wiersema, M. F. (2004). Modeling limited dependent variables: Guidelines for researchers of strategic management. In D. J. Ketchen, & D. Bergh (Eds.), Research methodology in strategy and management (Vol. 1, pp. 87-134). Oxford: Elsevier Press.

Clark, N. (2014). The EU’s information deficit: Comparing political knowledge across levels of governance. Perspectives on European Politics and Society, 15(4), 445-463.

Dalton, R. J., Farrell, D. M., & MacAllister, I. (2013). Political parties and democratic linkage: How parties organize democracy. Oxford: Oxford University Press.

Darcy, R., & Schramm, S. S. (1977). When women run against men. The Public Opinion Quarterly, 41(1), 1-12.

Deschouwer, K., Delwit, P., Hooghe, M., Rihoux, B., & Walgrave, S. (2014). PartiRep Belgian Election Study 2014. [Dbase]. Brussel: PartiRep.

De Winter, L. (1988). Belgium: Democracy or oligarchy? In M. Gallagher, & M. Marsh (Eds.), Candidate selection in comparative perspective (pp. 20-46). London: Sage.

Dolan, K. (2008). Is there a ‘gender affinity effect’ in American politics? Information, affect and candidate sex in U.S. House Election. Political Research Quarterly, 61(1), 79-89.

Easton, D. (1965). A systems analysis of political life. Engelwood Cliffs: Prentice Hall.

Erzeel, S., & Caluwaerts, D. (2015). Is it gender, ideology or resources? Individual-level determinants of preferential voting for male and female candidates. Journal of Elections, Public Opinion & Parties, 25(3), 1-19.

Giger, N., Holli, A. M., Lefkofridi, Z., & Wass, H. (2014). The gender gap in same-gender voting: The role of context. Electoral Studies, 35, 303-314.

Habermas, J. (1996). Between facts and norms: Contributions to a discourse theory of law and democracy. Cambridge: MIT Press.

Hardin, R. (2002). Trust and trustworthiness. London: Sage.

Hix, S., & Marsh, M. (2007). Punishment or protest? Understanding European Parliament elections. Journal of Politics, 69(2), 495-510.

Hobolt, S. B., & Wittrock, J. (2011). The second-order election model revisited: An experimental test of vote choices in European Parliament elections. Electoral Studies, 30(1), 29-40.

Holli, A. M., & Wass, H. (2010). Gender-based voting in the parliamentary elections of 2007 in Finland. European Journal of Political Research, 49(5), 598-630.

Katz, R. S. (2003). Intraparty preference voting. In B. Grofman, & Lijphart (Eds.), Electoral laws and their political consequences (3rd ed., pp. 85-103). New York: Agathon Press.

Kelbel, C., Van Ingelgom, V., & Verhaegen, S. (2016). Looking for the European voter: Split-ticket voting in the Belgian regional and European elections of 2009 and 2014. Politics and Governance, 4(1), 116-129.

Krastev, I. (2014). Democracy disrupted: The politics of global protest. Philadelphia: University of Pennsylvania Press.

Leuthold, D. A., & Fenno, R. F. (1979). Home style: House members in their districts. Political Science Quarterly, 94(1), 150.

Lijphart, A. (2012). Patterns of democracy. New Haven: Yale University Press.

Lupia, A. (1994). Shortcuts versus encyclopedias: Information and voting behvaior in California insurance reform elections. American Political Science Review, 88(1), 63-76.

Luskin, R. (1987). Measuring political sophistication. American Journal of Political Science, 31(4), 856-899. Luskin, R. C. (1990). Explaining political sophistication. Political Behavior, 12(4), 331-361.

Maddens, B., Wauters, B., Noppe, J., & Fiers, S. (2006). Effects of campaign spending in an open list PR system : The 2003 legislative elections in Flanders. West European Politics, 29(1), 161-168.

Mansbridge, J. (1999). Should blacks represent blacks and women represent women? A contingent “yes.” The Journal of Politics, 61(3), 628-657.

Mansbridge, J. (2003). Rethinking representation. Political Science, 97(4), 515-528.

Marien, S., Wauters, B., & Schouteden, A. (in publicatie). Voting for women in Belgium’s flexible list system. Politics & Gender.

Marsh, M. (1985). The voters decide: Preferential voting in European list systems. Journal of Political Research, 13(4), 365-378.

McDermott, M. L., & Luskin, R. C. (1998). Race and Gender cues in low-information elections. Political Research Quarterly, 51(4), 895-918.

McElroy, G., & Marsh, M. (2010). Candidate gender and voter choice: Analysis from a multimember preferential voting system. Political Research Quarterly, 63(4), 822- 833.

Norris, P. (1997). Nominations and reflections: Second-order elections revisited. European Journal of Political Research, 31(1), 109-124.

Norris, P., & Wlezien, C. (2001). Britain votes, 2001. Oxford: Oxford University Press.

Paxton, P., Kunovich, S., & Hughes, M. M. (2007). Gender in politics. Annual Review of Sociology, 33(1), 263-284.

Petty, R. E., & Wegener, D. T. (1998). Attitude change: Multiple roles for persuasion variables. In D. Gilbert, S. Fiske, & G. Lindzeg (Eds.), The handbook of social psychology (4th ed., vol. 1, pp. 323-390). New York: McGraw-Hill. Piketty, T. (2000). Voting as communicating. Review of Economic Studies, 67(1), 169- 191.

Plutzer, E., & Zipp, J. F. (1996). Identity politics, partisanship, and voting for women candidates. Public Opinion Quarterly, 60(1), 30-57.

Pomper, G. M. (1975). Voters’ Choice: Varieties of American electoral behavior. New York: Harper&Row.

Przeworski, A., Stokes, S. C., & Manin, B. (1999). Democracy, accountability, and representation. Cambridge: Cambridge University Press.

Reif, K., & Schmitt, H. (1980). Nine second-order national elections – A conceptual framework for the analysis of European election results. European Journal of Political Research, 8(1), 3-44.

Rosanvallon, P. (2006). La contre-démocratie. La politique à l’âge de la défiance. Paris: Seuil.

Rosentahl, C. S. (1995). The role of gender in descriptive representation. Political Research Quarterly, 48(3), 599-611.

Sanbonmatsu, K. (2002). Gender stereotypes and vote choice. American Journal of Political Science, 46(1), 20-34.

Sharma, S. (1995). Applied multivariate techniques. London: Wiley.

Sniderman, P. M., Brody, R. A., & Tetlock, P. E. (1991). The role of heuristics in political reasoning: A theory sketch. In P. M. Sniderman, R. A. Brody, & P. E. Tetlock (Eds.), Reasoning and Choice: Explorations in Political Psychology (pp. 14-30). Cambridge: Cambridge University Press.

Tajfel, H., Fraser, C., & Jaspars, J. M. F. (1984). The Social dimension: European developments in social psychology. Cambridge: Cambridge University Press.

Wauters, B., Weekers, K., & Maddens, B. (2010). Explaining the number of preferential votes for women in an open-list PR system: An investigation of the 2003 federal elections in Flanders (Belgium). Acta Politica, 45(4), 468-490.

Wulff, J. (2015). Interpreting results from the Multinomial Logit Model. Organizational Research Methods, 18(2), 300-325. Young, I.M. (1997). Deferring group representation. In I. Shapiro, & W. Kymlika (Eds.), Ethnicity and group rights: Nomos XXXIX (pp. 349-376). New York: New York University Press.

Universiteit of Hogeschool
Master in de Vergelijkende en Internationale Politiek
Publicatiejaar
2017
Promotor
Prof. Dr. Sofie Marien
Kernwoorden
@sjifradeleeuw