Superveniëntie in het niet-reductief fysicalisme

Ruben Habex
Eén van de meest ongrijpbare vraagstukken waar de mens tot op heden nog altijd geen antwoord op heeft,  is het mind-body of geest-lichaam probleem. Wat is namelijk de relatie tussen geest en lichaam of tussen het mentale en het fysische? Menig filosoof heeft zich hier dan ook gedurende de geschiedenis over gebogen, met als resultaat een reeks posities of standpunten die men kan innemen en verdedigen inzake het verband tussen het mentale en het fysische domein.

Superveniëntie in het niet-reductief fysicalisme

Eén van de meest ongrijpbare vraagstukken waar de mens tot op heden nog altijd geen antwoord op heeft,  is het mind-body of geest-lichaam probleem. Wat is namelijk de relatie tussen geest en lichaam of tussen het mentale en het fysische? Menig filosoof heeft zich hier dan ook gedurende de geschiedenis over gebogen, met als resultaat een reeks posities of standpunten die men kan innemen en verdedigen inzake het verband tussen het mentale en het fysische domein. Zo zou men zich in eerste instantie kunnen identificeren met ofwel de dualisten, die het fysische domein en het mentale domein een zekere autonomie toekennen, ofwel met de fysicalisten (monisten), die enkel het fysische domein autonomie toekennen en het mentale hier volledig van afhankelijk achten. Gegeven de hoeveelheid aan literatuur omtrent deze problematiek, zullen we ons toespitsen op één bepaalde positie binnen het fysicalisme, namelijk het niet-reductief fysicalisme. Dit houdt in dat het mentale afhankelijk van het fysische domein is, maar er niet toe te reduceren is. Reeds intuïtief zullen sommigen aanvoelen dat dit een ambigue positie is die het beste van twee werelden wil. Enerzijds willen we namelijk vasthouden aan de positieve wetenschappen die zich enkel met materie bezighouden, maar anderzijds willen we het mentale en het fenomenologische bewustzijn niet zomaar tot de materie van de hersenen herleiden. Op die manier is ons bewustzijn werkelijk afhankelijk van de neurologische activiteit in onze hersenen, doch er niet toe te herleiden. Alhoewel velen verleid worden door de aantrekkelijke middenweg die het niet-reductief fysicalisme biedt, kan dit standpunt niet zomaar als vanzelfsprekend beschouwd worden en moet deze positie zich verdedigen tegen allerhande kritieken, voornamelijk die van Jaegwon Kim.

Naast de beperking dat we ons uitsluitend zullen bezighouden met het niet-reductief fysicalisme, stellen we bovendien voorop dat de relatie tussen het mentale en het fysische domein dient plaats te vinden aan de hand van een superveniëntierelatie. Letterlijk betekent superveniëntie en superveniëren dat het ene ‘bovenop komt’ op het andere. In deze context wil dat zeggen dat het mentale domein bovenop komt of supervenieert op het fysische domein. Iets concreter zullen we hier zowel het mentale als het fysische domein beschouwen als een verzameling van eigenschappen. Bijgevolg vermoeden we dat een verzameling van mentale eigenschappen supervenieert op een verzameling van fysische eigenschappen.

Gegeven dat we ons in dit werkstuk zullen toespitsen op het niet-reductief fysicalisme en de superveniëntierelatie tussen het mentale en het fysische, is het veroorloofd om de ambitie van dit project te expliciteren. In de volgende hoofdstukken zullen we het verband tussen het niet-reductief fysicalisme, als zijnde een positie in het geest-lichaam debat, en superveniëntie, als zijnde een relatie, onderzoeken. Het is gepast om het brede begrip ‘verband’ te gebruiken, opdat zo gedurende dit werkstuk duidelijk wordt wat de niet-reductief fysicalist al dan niet aan de superveniëntierelatie heeft. Er zijn enkele vragen die zich meteen opdringen. Is superveniëntie voldoende om het niet-reductief fysicalisme gestalte te geven? Is het erkennen van superveniëntie tussen het mentale en fysische domein noodzakelijk om de niet-reductief fysicalistische positie in te kunnen nemen? Sluit superveniëntie het niet-reductief fysicalisme uit? Zoals later zal blijken, hebben de eerste twee vragen te maken met de mentale afhankelijkheid van het fysische domein en de derde vraag met het al dan niet reductieve karakter van superveniëntie. Mentale Afhankelijkheid van het fysische domein en de niet-reduceerbaarheid van het mentale tot het fysische domein zijn de vereisten om van een niet-reductief fysicalistische positie te kunnen spreken. We besteden bijgevolg het meeste aandacht aan afhankelijkheid en reductie tijdens dit onderzoek.

Laten we toch de inhoudstafel van deze tekst even overlopen. Na de inleiding zullen we beginnen met de mysterieuze term superveniëntie uitvoeriger uit te leggen aan de hand van drie dimensies en met een onderscheid te maken tussen zwakke, sterke en globale superveniëntie (cfr. hoofdstuk 2). Vervolgens ontwikkelen we een opvatting van fysicalisme die ons in staat stelt om de relatie tussen het niet-reductief fysicalisme en superveniëntie te analyseren (cfr. hoofdstuk 3). Deze uiteenzetting van respectievelijk superveniëntie en het bredere fysicalisme biedt de conceptuele achtergrond om de problematiek van afhankelijkheid en reductie te onderzoeken.

In hoofdstuk 4 vragen we ons af of superveniëntie het mentale domein dicht genoeg bij het fysische domein brengt, opdat het fysische het mentale determineert, opdat het mentale afhankelijk is van het fysische. Dit is echter een vraag die niet enkel de niet-reductief fysicalist aanbelangt. Immers, elke fysicalist kan het mentale door middel van superveniëntie aan het fysische domein willen verbinden, zonder daarom te concluderen dat het mentale niet te reduceren is tot het fysische. In ons antwoord op deze vraag doen we ons best om zowel sterke als globale superveniëntie te verdedigen als geschikte relaties om het mentale afhankelijk te maken van het fysische. Onze strategie bestaat er uit om eerst het verband tussen afhankelijkheid en sterke superveniëntie te achterhalen (cfr. 4.2). Vervolgens proberen we te verdedigen dat globale superveniëntie dezelfde sterkte van afhankelijkheid geniet als sterke superveniëntie, want sterke superveniëntie wordt geacht een sterkere verbintenis te impliceren tussen het mentale en het fysische dan globale superveniëntie (cfr. 4.3 en 4.4). Op die manier koesteren we de ambitie om zowel bij sterke als globale superveniëntie een zo groot mogelijke afhankelijkheid te verdedigen.

In het laatste hoofdstuk behandelen we tot slot een exclusief (niet-)reductief fysicalistische kwestie, namelijk of superveniëntie reductie impliceert of daarentegen volledig verzoenbaar is met het niet-reductief fysicalisme. Opnieuw trachten we zowel sterke als globale superveniëntie te verdedigen tegen argumenten van reductief fysicalisten. Aangezien nu sterke superveniëntie het mentale prima facie dichter bij het fysische domein brengt dan globale superveniëntie, lijkt sterke superveniëntie meer vatbaar voor een reductieve dreiging. Daarom zullen we enkel het reductieve karakter van sterke superveniëntie analyseren en indien sterke superveniëntie los staat van reductie, zal globale superveniëntie evenzeer aan reductie weerstaan: conceptuele (cfr. 5.2), ontologische (cfr. 5.3) en lokale (cfr. 5.4). Indien sterke superveniëntie kan weerstaan aan deze drie vormen van reductie, dan kunnen we a forteriori concluderen dat er zich ook geen probleem vormt voor globale superveniëntie en dat beide vormen van superveniëntie van reductie gevrijwaard zijn.

Bibliografie

Bacon, John. 1986. ‘Supervenience, Necessary Coextension, and Reducibility’, Philosophical Studies: An International Journal for Philosophy in the Analytic Tradition 49 (2):163-176.

Bailey, Andrew. 1999. ‘Supervenience and Physicalism’, Synthese 117: 53–73.

Bennett, Karen. 2004. ‘Global Supervenience and Dependence’, Philosophy and Phenomenological Research 68 (3): 501-529.

Block, Ned. 1997. ‘Anti-Reductionism Slaps Back’, Noûs 31: 107-132.

Bonevac, Daniel. 1995. ‘Reduction in the Mind of God’, in Supervenience, edited by Elias E. Savellos & Ümit D. Yalçin (Cambridge : Cambridge University Press), pp. 124-139.

Chalmers, David. 1996. The Conscious Mind (Oxford: Oxford University Press).

Crane, Tim and Mellor, D.H. 1990. ‘There is No Question of Physicalism’, Mind 99: 185-206.

Crane, Tim. 2000. ‘Dualism, Monism, Physicalism’, Mind & Society 1: 73-85.

Davidson, Donald. 1970. ‘Mental Events’, in Experience and Theory, edited by Lawrence Foster & J. W. Swanson (Amherst: University of Massachusetts press), pp. 79-101.

Dowell, D. L. 2006. ‘Formulating the Thesis of Physicalism: an Introduction’, Philosophical Studies 131: 1-23.

Fodor, J. A. 1974. ‘Special Sciences (Or: The Disunity of Science as a Working Hypothesis)’, Synthese 28(2): 97-115.

Grimes, Thomas. 1995. ‘The Tweedledum and Tweedledee of Supervenience’, in Supervenience, edited by Elias E. Savellos & Ümit D. Yalçin (Cambridge : Cambridge University Press), pp. 110-123.

Haugeland, John. 1983. ‘Ontological Supervenience’, Southern Journal of Philosophy 22: 1–12.

Hellman, Geoffrey and Thompson, Frank. 1975. ‘Physicalism: Ontology, Determination, and Reduction’, Journal of Philosophy 72: 551–564.

Hempel, Carl. 1969. ‘Reduction: Ontological and Linguistic Facets’, in Philosophy, Science, and Method: Essays In Honor of Ernest Nagel, edited by Patrick Suppes, Sidney Morgenbesser and Morgan White (New York: St. Martin’s Press), pp. 179–199.

Hempel, Carl. 1980. ‘Comments on Goodman’s Ways of Worldmaking’, Synthese 45: 193–199.

Horgan, Terry. 1993. ‘From supervenience to superdupervenience: meeting the demands of a material world’, Mind, 102: 555-86.

Jack, Andrew. 1994. ‘Materialism and Supervenience’, Australasian Journal of Philosophy, 72: 426-444.

Jackson, Frank. 1998. From metaphysics to ethics: A defence of conceptual analysis (Oxford: Clarendon Press).

Kim, Jaegwon. 1978. ‘Supervenience and Nomological Incommensurables’, American Philosophical Quarterly 15(2): 149-156.

Kim, Jaegwon. 1984. ‘Concepts of supervenience’, Philosophy and Phenomenological Research 45 (December): 153-76.

Kim, Jaegwon. 1987. ‘Strong and global supervenience revisited’, Philosophy and Phenomenological Research 48 (December): 315-26.

Kim, Jaegwon. 1989. ‘The myth of non-reductive materialism’, Proceedings and Addresses of the American Philosophical Association 63 (3): 31-47.

Kim, Jaegwon. 1990. ‘Supervenience as a Philosophical Concept’, Metaphilosophy 21 (1-2): 1-27.

Kim, Jaegwon. 1993. Supervenience and Mind (Cambridge, Cambridge University Press).

Kim, Jaegwon. 1998. Mind in a physical world: essays on the mind-body problem and mental causation. (Cambridge: MIT Press).

LePore, E. and Loewer, B. 1989. ‘More on Making Mind Matter’,  Philosophical Topics 17: 175-191.

Lewis, David. 1983. ‘New York for a Theory of Universals’, Australasian Journal of Philosophy 61: 343-377.

Lewis, David. 1986. On the Plurality of Worlds (Oxford, Oxford University Press).

Marras, Ausonio. 1993a. ‘Supervenience and Reducibility: An Odd Couple’, The Philosophical Quarterly 43: 215-222.

Marras, Ausonio. 1993b. ‘Psychophysical Supervenience and Nonreductive Materialism’, Synthese 95 (2): 275-304.

McLaughlin, Brian. 1995. ‘Varieties of Supervenience’, in Supervenience, edited by Elias E. Savellos & Ümit D. Yalçin (Cambridge: Cambridge University Press), pp. 16-59.

McLaughlin, B. 1997.  ‘Supervenience, Vagueness, and Determination’, Philosophical Perspectives 11: 209-230.

Melnyk, Andrew. 2003. A Physicalist Manifesto: Thoroughly Modern Materialism (New York: Cambridge University Press).

Melnyk, Andrew. 2006. ‘Realization and the Formulation of Physicalism’, Philosophical Studies 131: 127-155.

Moore, G.E. 1922. “The Conception of Intrinsic Value”, in Philosophical Studies (London: Routledge & Kegan Paul).

Nagel, Ernest. 1961. The Structure of Science (New York, Harcourt).

Oppenheim, Paul & Kemeny, John G. 1956. ‘On reduction’, Philosophical Studies: An International Journal for Philosophy in the AnalyticTradition, 7:6-19.

Paull, R. Cranston and Sider, Theodore R. 1992. ‘In Defense of Global Supervenience’, International Phenomenological Society 52 (4): 833-854.

Petrie, Bradford. 1987. ‘Global Supervenience and Reduction’, Philosophy and Phenomenological Research 48: 119-130.

Pettit, Philip. 1993. ‘A Definition of Physicalism’, Analysis 53 (4): 213-223.

Post, John. 1995. ‘”Global” Supervenient Determination: Too Permissive?’, in Supervenience, edited by Elias E. Savellos & Ümit D. Yalçin (Cambridge: Cambridge University Press), pp. 73-100.

Putnam, Hilary. 1967. ‘The Nature of Mental States’, in Readings in Philosophy of Psychology, edited by Ned Block (Cambridge: Harvard University).

Ratzsch Del and Koperski Jeffrey, ‘Teleological Arguments for God's Existence’, in The Stanford Encyclopedia of Philosophy  (Spring 2015 Edition), ed. by Edward N. Zalta, <http://plato.stanford.edu/archives/spr2015/entries/teleological-argumen…;.

Shagrir, Oron. 1999. ‘More on Global Supervenience’, Philosophy and Phenomenological Research 59 (3): 691-701.

Shagrir, Oron. 2002. ‘Global Supervenience, Coincident Entities and Anti-Individualism’, Philosophical Studies: An International Journal for Philosophy in the AnalyticTradition 109:171-196.

Shagrir, Oron. 2013. ‘Concepts of Supervenience Revisited’, Erkenntnis 78 (2): 469-485.

Shrader, Warren. 2008. ‘On the Relevance of Supervenience Theses to Physicalism’, Acta Analytica 23 (3): 257-271.

Sider, T.R. 1999. ‘Global Supervenience and Identity Across Times and Worlds’, Philosophy and Phenomenological Research 59: 913-937.

Stalnaker, Robert. 1996. ‘Varieties of Supervenience’, Nous 30: 221-241.

Stoljar, Daniel. 2010. Physicalism (London: Routledge).

Stoljar Daniel, ‘Physicalism’, in The Stanford Encyclopedia of Philosophy  (Spring 2015 Edition), ed. by Edward N. Zalta, <http://plato.stanford.edu/archives/spr2015/entries/physicalism/&gt;.

Teller, Paul. 1984. ‘Comments on Kim's paper’, Southern Journal of Philosophy 22 (S1): 57-61.

Teller, Paul. 1985. ‘Is Supervenience just Undisguised Reduction’, The Southern Journal of Philosophy 23 (1): 93-99.

Tiehen, Justin. 2013. ‘Ectoplasm Earth’, Canadian Journal of Philosophy, 42 (3-4): 167-185.

Weatherson Brian and Marshall Dan, ‘Intrinsic vs. Extrinsic Properties’, in The Stanford Encyclopedia of Philosophy  (Fall 2014 Edition), ed. by Edward N. Zalta, <http://plato.stanford.edu/archives/fall2014/entries/intrinsic-extrinsic…;.

Wetzel Linda, ‘Types and Tokens’, in The Stanford Encyclopedia of Philosophy  (Spring 2014 Edition), ed. by Edward N. Zalta, <http://plato.stanford.edu/archives/spr2014/entries/types-tokens/&gt;.

Wilson, Jessica. 2005. ‘Supervenience-based Formulations of Physicalism’, Nôus 39 (3):  426–459.

Wilson, Jessica. 2006. ‘On characterizing the Physical’, Philosophical Studies 131: 61-99.

 

Universiteit of Hogeschool
Master in de Wijsbegeerte
Publicatiejaar
2015
Kernwoorden