Mededinging: vriend of vijand? Een vergelijking van het mededingingsbeleid in de VSA en in Continentaal Europa

Eline
Poelmans

 

Een vergelijking van het mededingingsbeleid in de VSA en in Continentaal Europa

(1800-1965)

 

In de tweede helft van de 19de eeuw schoten in de VSA grote bedrijfscombinaties -zoals Rockefellers Standard Oil- als paddestoelen uit de grond. Het laissez-faire kapitalisme -dat die periode domineerde en dat dergelijke grote concentraties aanmoedigde- werd gesteund door een rechterlijke macht die reageerde tegen diegenen die het systeem aanvochten. Door dit te doen volgden ze de toenmalig heersende filosofie van de industriëlen, het Sociaal Darwinisme, waarin elke poging om big business te reglementeren beschouwd werd als het tegenwerken van de natuurlijke evolutie van de soorten. De regering bleek kneedbaar in de handen van de grote industriëlen. De kosten van de onverschilligheid ten aanzien van de slachtoffers van het kapitaal waren echter hoog en er kwam dan ook protest op de toenmalige situatie, door arbeiders- en boerenbewegingen zoals de Grangers, via manifesten en petities. Het verzet resulteerde in 1890 in een federale mededingingswet, de Sherman Antitrust Act. De wet werd echter omzeild door nieuwe soorten combinaties. Verschillende historische gebeurtenissen, zoals de Grote Depressie en beide wereldoorlogen, hadden daarenboven hun invloed op de reikwijdte van de opeenvolgende wetten. Ook de visies -gaande van ‘vloek’ tot ‘adoratie’- van de opeenvolgende presidenten hebben hun stempel gedrukt op de doeltreffendheid van en nood aan een beleid. T. Roosevelts trustbusting stond bvb. in sterk contrast met het eerder gematigd optreden van C. Coolidge. F. Roosevelts New Deal legde dan weer de funderingen voor de moderne welvaartmaatschappij, waarin het Sociaal Darwinisme niet langer aanvaard werd en de samenleving verplicht werd voor de armen te zorgen.

 

Was Amerika het voorbeeld na WO II? Werd Continentaal Europa op alle vlakken geamerikaniseerd?

In Continentaal Europa ontstonden de eerste Europese mededingingswetten pas bij de oprichting van de EGKS en de EEG in de jaren 1950. In de voorafgaande anderhalve eeuw broedden in een aantal Europese landen echter reeds ‘ideeën’ omtrent een mededingingsbeleid, zo bvb. in Oostenrijk omstreeks 1890. Deze verschilden van elkaar door politieke of culturele oorzaken. Hierdoor ontstond een wirwar van verschillende soorten wetten met andere invalshoeken. Deze ‘ideeën’ waren telkens gerelateerd aan de toenmalige politieke en economische ontwikkelingen op het Continent en hebben hun invloed uitgeoefend op de totstandkoming van een Europees beleid. Ook hier speelden historische gebeurtenissen en persoonlijke visies van de politieke leiders een rol in zowel het ontstaan van echte wetten als in de doeltreffendheid ervan. Zette Hitler bvb. niet de reglementering op zijn kop en ging hij niet juist over tot kartellering van de industrieën om zijn eigen doel te bewerkstelligen?

 

Na WO II beriepen de VSA zich op hun economische suprematie om ook op politiek vlak het leiderschap op te nemen (de Pax Americana). Hun doel -het creëren van internationale organisaties om mondiale democratie en liberale vrijhandel te bevorderen- viel samen met de jacht op internationale kartels. De VSA trachtten in bepaalde landen, waaronder Duitsland, mededingingsregimes in te stellen ter bevordering van de creatie van democratische instituties die sterk genoeg zouden zijn om de terugkeer van militaristisch-racistische dictaturen te voorkomen. De VSA bespoedigden eveneens de doorgang van de eerste mededingingswetten in bepaalde West-Europese landen.

 

De vergelijking van de historische ontwikkeling van het beleid in de VSA en in Continentaal Europa legt een aantal tegenstellingen bloot. Naast algemene verschillen van sociale, economische en politieke aard hadden in de VSA de wetten reeds vanaf 1890 een duidelijke inhoud, terwijl dit in Continentaal Europa pas in de jaren 1950 het geval was. Of nog, in de VSA waren zowel economische, sociale en politieke doelstellingen belangrijk, terwijl in de EEG vooral de politieke doelstelling primeerde, namelijk het creëren van een eenheidsmarkt als laatste redmiddel om tot een nieuw Europa te komen.

Onderzoek en vergelijking van de wetteksten zelf brengt nog meer verschillen aan de oppervlakte. De EGKS vroeg een Amerikaan, R. Bowie, om in het geheim een blauwdruk van een mededingingsbeleid op te stellen. Aan de officiële onderhandelingen betreffende de wetten namen de VSA echter niet deel. Vooral de ordoliberalen uit Duitsland konden hun visie doordrukken. Enkel op een fusiebepaling hadden de VSA een directe invloed. Bij de gesprekken over het EEG-mededingingsbeleid konden opnieuw de ordoliberalen hun visie doordrukken. De VSA, die er dezelfde visie op nahielden, ondersteunden hen alleen indirect. De fusiebepaling werd niet overgenomen in het EEG-beleid.

 

De VSA hadden dus op de eigenlijke wetteksten van het EEG-mededingingsbeleid weinig ‘directe’ invloed. De amerikanisering van Continentaal Europa zette zich bijgevolg na WO II niet op alle vlakken door. De ‘indirecte’ invloed daarentegen was tamelijk groot, maar omwille van haar indirecte karakter niet steeds zichtbaar. Dergelijke indirecte invloeden, zoals gelijkenissen in de historiek van het ontstaan van het beleid (zoals uitbuiting van de zwakkeren), negatieve of positieve invloeden (zoals steun van de VSA) en tenslotte de invloed van historische ontwikkelingen (bvb. oorlogen), hebben het EEG-mededingingsbeleid mee vorm gegeven en de visies erop bepaald. Aldus zijn in het EEG-beleid een aantal elementen en karakteristieken van de wetten van de VSA indirect overgenomen. Andere opvattingen daarentegen vonden hun oorsprong in het eigen politieke, economische en sociale verleden van Continentaal Europa. Het mededingingsbeleid van een economische gemeenschap moet immers passen bij de gehele structuur en constellatie van die gemeenschap en de daarin heersende waarden en opvattingen. Het moet bovendien in overeenstemming zijn met de economische situatie. Een zware dobber die de ene als vriend, de andere als vijand beschouwt.

 

Eline Poelmans

 

Universiteit of Hogeschool
KU Leuven
Thesis jaar
2004