Theory of Mind bij Mensapen

Esther
De Jong van den Brand

Gegevens

 

De Jong van den Brand Esther

Warande 7

9620 Zottegem

Tel: 0474 789 551

Email: Essyd11@yahoo.com

 

 

Theory of Mind bij mensapen

 

In de westerse cultuur lijkt de mens een dubbele houding aan te nemen als het de (ethische) verantwoordelijkheid ten aanzien van dieren betreft. Huisdieren hebben duidelijk een andere status dan ‘consumptie’-dieren en de voorkeur voor de ene diersoort boven de andere lijkt zelden goed overwogen. Waarom bijvoorbeeld wel een hond naast ons bed maar een varken op ons bord?

Hoewel het sinds Darwin niet te ontkennen valt dat ook de mens een diersoort is, lijkt dit toch een moeilijk te verteren gedachte en houdt men het er liever op dat onze soort zich buiten en boven de anderen bevindt. Meer en meer blijken de argumenten die hiervoor worden aangevoerd echter te zwak. Intelligentie, gebruik van taal of gereedschap of het bezit van cultuur zijn níet uniek aan de menselijke soort, zo blijkt.

Een belangrijk en actueel punt van discussie in de strijd om behoud van onze afgezonderde positie vormt het bezit van cognitie, bij mensen vaker omschreven als bewustzijn. Denken, redeneren, overwegen, voorstellen en inlevingsvermogen zijn allemaal voorbeelden van complexe mentale capaciteiten die onder de noemer cognitie vallen. Ook hiervan heeft men steeds aangenomen dat het enkel de mens was die ze bezat. Onderzoek bij mensapen en dolfijnen zet ook dit nu op losse schroeven.

Cognitie is zelfs als het enkel de mens betreft een moeilijk onderwerp. Is de geest een fenomeen dat men los moet zien van het lichaam of is ze eerder een gevolg van onze biologische opmaak? In de filosofie duidt men dit vraagstuk aan als the mind-body-problem. Een pasklaar antwoord is er niet, maar tegenwoordig neigt men meer naar de laatste verklaring: ook onze geest is ‘biologisch’ en dus helemaal niet onverklaarbaar. Gaat men niet-menselijke diersoorten betrekken in de discussie, dan komt er een ander hardnekkig probleem naar voor. De mens heeft immers de neiging om allerlei zaken te ‘vermenselijken’ en geest toe te schrijven aan levende en niet-levende objecten. Kinderboeken staan vol van voorbeelden, zoals sprekende dieren of treintjes. Dat een trein niet echt leeft hoeft geen betoog, maar vraagt men de eigenaar van een hond of kat of zijn dier kan denken dan zal het antwoord veelal een overtuigd ‘ja’ zijn. Helaas zijn veel van de patronen die de dieren vertonen eenvoudiger te verklaren en kan men aanvoeren dat het baasje het vertoonde gedrag te menselijk heeft geïnterpreteerd. Waarmee niet wordt beweerd dat deze dieren niet kúnnen denken! Dit fenomeen, dat men aanduidt met de term ‘antropomorfisme’, is bijzonder moeilijk te vermijden want inherent menselijk en om die reden vormt het meteen een sterk punt van kritiek in elk onderzoek naar verregaande cognitieve vermogens bij dieren. De primatoloog Frans de Waal wijst er echter op dat deze eigenschap ook als positief kan worden geïnterpreteerd. Het zet onderzoekers aan de dieren die ze bestuderen te zien als bijzondere individuen of soorten die zich op unieke wijze hebben aangepast aan hun leefomstandigheden en die in veel gevallen eigen sociale structuren hebben ontwikkelt. Dit leert hen meestal veel meer dan wanneer men de dieren als objecten tracht te benaderen.   

De filosoof Thomas Nagel wees er in een beroemd artikel op dat elk wezen eigen ervaringen kent, afhankelijk van de zintuigen die het ter beschikking heeft en de manier waarop zijn lichaam in elkaar zit. Stelt men zich als mens voor wat het is om een vleermuis te zijn, dan komt men in de problemen, want hoe voelt het om gebruik te maken van echolocatie? Wát het gebruik ervan inhoudt kan nog worden vergeleken met het gebruik van radar, maar dit vertelt ons niets over de ervaring die het bezit van deze eigenschap met zich meebrengt, over hoe het voelt. Dat is voor een mens dus onkenbaar. Zo ook met andere eigenschappen, zoals leven onder water of het gebruik van voelsprieten. Men zou kunnen stellen dat dit het onderzoek naar het cognitieve leven van andere diersoorten ernstig bemoeilijkt, maar het is daarom nog niet onmogelijk.

Als men een dergelijk onderzoek doet, doet men er dan ook goed aan alle bovengenoemde zaken voor ogen te houden.

 

In het onderzoek naar cognitie bij mensapen richt men zich onder andere op het bezit van een theory of mind. Dit begrip, dat voortkomt uit de psychologie, is centraal voor het al dan niet bezitten van cognitie. Wat houdt het juist in?

Heel beknopt kan men stellen dat het gaat over de mogelijkheid om te reflecteren over wat er in de geest gebeurt, om na te denken over wat men denkt of over wat anderen denken. Men moet in staat zijn meerdere wereldbeelden tegelijk te hanteren, zoals bij het liegen waar men zowel de ware als de onware situatie herkent. Deze eigenschap, die ook wel metarepresentatie wordt genoemd en die voor de meeste mensen heel vanzelfsprekend is, ontbreekt bij autistische kinderen. Zij bezitten vermoedelijk geen theory of mind.  Deze ontdekking was aanleiding voor vergelijkende studies met niet-autistische kinderen en mensapen. Daaruit blijkt dat mensapen het vermogen tot metarepresentatie wél bezitten, alhoewel dit beperkt blijft tot een elementaire vorm. Dit op zich was echter nog geen afdoende bewijs voor bezit van een theory of mind. Er bestaan daarnaast immers alternatieve verklaringen. Andere zaken wijzen echter wel op het bezit van theory of mind. Zo herkennen sommige mensapen zichzelf in de spiegel, wat wijst op bezit van een zelfbeeld en dit kan enkel als men kan nadenken over het ‘zelf’ als de eigen persoon. Een andere sterke aanwijzing is terug te vinden in het vermogen tot imitatie. Imitatie is een bijzonder gecompliceerd proces dat vereist dat de imitator een bepaalde waarneming doet, deze in zijn geheugen kan vastleggen en ze vervolgens met zijn eigen lichaam kan herhalen. Zonder het vermogen tot metarepresentatie is dit onmogelijk. Mensapen, vooral chimpansees en bonobo’s, blijken uit te blinken in deze vaardigheid en onderzoek in het wild wijst erop dat dit een essentiële eigenschap is die hen in staat stelt dingen te leren. Een mooi voorbeeld hiervan is het gebruik van hamer-en-aambeeld waarbij de moeder haar jong actief moet onderwijzen zodat het na jaren oefenen in staat is bijna onbreekbare noten te kraken. Merk op dat onderwijs vereist dat de moeder zich kan inleven in de moeilijkheden van haar kind. En dat is opnieuw een aanwijzing voor het bezit van theory of mind.

Al deze zaken samen geven al een behoorlijke indicatie dat mensapen een theory of mind hanteren en alhoewel de verschillende facetten op zich niet doorslaggevend zijn vormen zij samen al een bijzonder sterke aanwijzing.

Maar de meest overtuigende aanwijzing vinden we bij twee andere zaken: de sociale intelligentie en het taalgebruik. Mensapen leven in sociale gemeenschappen. Hierbij is het onontbeerlijk dat er kennis bestaat over wie wie is en wat men kan verwachten dat een ander doet. Zo kent men bij chimpansees voortdurend intriges, wisselende allianties, manipulaties en zelfs ware staatsgrepen. Dit heeft hen de naam van ‘machiavellisten’ opgeleverd. Niet dominante dieren blijken zich daarbij toe te leggen op misleiding, bijvoorbeeld door het verstoppen van voedsel of het paren uit het zicht van dominante dieren. Bonobo’s daarentegen lijken zich te hebben toegelegd op het juist inschatten van de stemming van anderen, zodat dreigende spanning kan worden afgeleid. De Waal verwijst naar hen als de wellicht meest empathische mensaap. Al deze zaken zijn enkel mogelijk bij bezit van een theory of mind.

Moest men na dit alles nog twijfels hebben, dan zullen de mensapen die leerden spreken met behulp van gebarentaal of via een speciaal toetsenbord hier bijna zeker een eind aan maken. Zo is er de bonobo Kanzi, die het gesproken engels verstaat en de intentie van zinnen kan begrijpen. En verschillende gorilla’s vertelden over hun herinneringen. Koko ging in 1998 zelfs rechtstreeks op het internet om vragen te beantwoorden.

Men voert wel eens het argument aan dat vooral de mens verantwoordelijk is voor deze laatste opmerkelijke prestaties. De latent aanwezige vermogens zouden door het leven in een menselijke omgeving worden geactiveerd. Dit lijkt opnieuw een poging om de eer aan de mens te houden. Onderzoek in het wild mag dan geen sprekende mensapen leveren, hun veelzijdige levenswijzen voorzien voldoende aanwijzing dat zij wel degelijk een algemene vaardigheid bezitten die bij de mens theory of mind wordt genoemd. Eens men dit onderkent, wordt het hoog tijd onze houding ten opzichte van deze – en andere - intelligente dieren te evalueren. Dit debat is overigens al in gang gezet met The Great Ape Project. Onderzoek naar zaken als theory of mind kunnen hier sterke argumenten aanreiken, maar het blijft allemaal omstreden. Daarvoor lijkt hoe langer hoe minder reden te bestaan, afgezien van een krampachtig houvast aan de unieke positie van de mens. Nochtans is en blijft de mens het intelligentste dier. Zolang hij zijn verstand  gebruikt!   

Universiteit of Hogeschool
Andere
Thesis jaar
2002